h 2,3,4,5,6,7,8,9
Hoofdstuk 2
Handboek Nederlands als tweede taal in het volwassenenonderwijs
Bart Bossers, Folkert Kuiken en Anne Vermeer
1. Wat zijn de verschillen tussen taalleren en een vak als biologie of geschiedenis? Geef
ook de consequenties hiervan voor de didactiek aan.
Bij de zaakvakken moeten concepten worden geleerd, toegepast en geanalyseerd en
gerelateerd aan andere begrippen. Ook leren ze niet een bepaald vak, maar ook de taal
zelf. Bij taal ligt dat anders. Bij taalvaardigheid gaat het om coderen van begrippen op
zo’n manier dat mensen, die dezelfde taal spreken ze begrijpen.
Consequentie voor de didactiek: Bij de zaakvakken als biologie geeft docent een
introductie op het nieuwe thema van een nieuw hoofdstuk, waarbij ze de eerder
verworven voorkennis activeert en mobiliseert. Verder probeert ze in interactie met de
leerlingen het nieuwe onderwerp globaal te schetsen. Bij taalonderwijs is dat anders.
Taalonderwijs vraagt namelijk om specifieke didactische principes en de ordening
daarvan. Iedereen kan taalleren. Maar niet iedereen beschikt over een bepaalde
intelligentie voor vakken zoals biologie. Er moet veel mogelijkheden voor taalcontact en
interactie worden geboden om vaardigheden te oefenen en het proces van
automatisering te versnellen.
2. Wat zijn de kernbegrippen in de relatie tussen de theorie over taalverwerving en
taalleren.
Voor de ontwikkeling van taalvaardigheid is het cruciaal dat het taalonderwijs de
taalverwerving ondersteunt. Met andere woorden: taalleren sluit in een gestuurde
situatie aan bij de natuurlijke situatie waarin de taal verder kan worden verworven.
3. De invloed van onderwijs op het leren van taal is beperkt, maar niet onbelangrijk. Op
welke manier kan het onderwijs bijdragen aan taalverwerving?
- Taalaanbod;
- Interactie;
- Feedback;
- Aandacht voor de vorm van taal;
- Het automatiseren om een zekere vloeiendheid te krijgen;
- En het aanleren van strategieën.
1