1. Wat is het verschil tussen het atoommodel van Rutherford en Bohr?
Zie zoutenboekje
2. Leg met behulp van het atoommodel van Bohr uit wat de covalentie is van fluor. Fluor
heeft atoomnummer 9.
Één, voor uitleg zie hoofdstuk 8.
3. Zout, molecuul of metaal? Voor uitleg: zie zoutenboekje
a. CH4
b. NaCl
c. CrO3
d. Stikstof
e. calciumsulfide
4. Welke lading verwacht je dat het aluminium-ion heeft? Aluminium heeft
atoomnummer 13.
3+, voor uitleg zie zoutenboekje
5. Waarom spreek je bij een zout niet over een molecuulformule, maar van een
verhoudingsformule?
Moleculen zijn echt vastgestelde hoeveelheid atomen bij elkaar: CH4 is precies 1
klompje methaan.
Zouten zijn altijd grote
6. Wat is naam van:
a. Na2O natriumoxide
b. CaF2 calciumfluride
c. NH4Cl ammoniumchloride
d. Au2(SO4)3 goudsulfaat
7. Geef de verhoudingsformule van:
a. Calciumjodide jodide =I- (kon je niet weten) -> CaI2
b. Bariumnitraat Ba(NO3)2
c. Ammoniumoxide (NH4)2O
d. Magnesiumfosfaat Mg3(PO4)2
8. Wat is een homologe reeks? Zie hoofdstuk 8
9. Geef de naam van de volgende moleculen:
a. 2,3,3-trimethylhexaan-2-ol
b. 2,4-dichloor-3-ethylpent-3-een