Natuurkunde H4
§1
Een kracht wordt altijd door het ene voorwerp uitgeoefend op het andere voorwerp.
Netto kracht = resulterende kracht = somkracht
§2
Een kracht is altijd een wisselwerking tussen twee voorwerpen, bij voetbal trap je bijvoorbeeld tegen
een bal waardoor de bal vooruit gaat.
Een kracht heeft een grootte, richting en aangrijpingspunt.
Veerkracht (Fv):
Een elastiekje of veer rek je uit door er met je spierkracht aan te trekken.
Een elastiekje of veer trekt dan ook aan jouw hand, dat is de veerkracht.
De veerkracht is evenredig met de uitrekking. Als je de veer twee keer zo ver uitrekt, wordt
de veerkracht ook twee keer zo groot.
De spankracht (Fs) werkt altijd in de richting van het touw, net als de veerkracht van een veer of
elastiek.
De zwaartekracht (Fz) is evenredig met de massa en grijpt aan in het zwaartepunt van het voorwerp.
Normaalkracht (Fn): de kracht van de grond op het voorwerp omhoog, altijd loodrecht op de grond
Actiekracht: gewicht
Reactiekracht: normaalkracht van grond op een voorwerp
Bij een schuin oppervlak kunnen de normaalkracht en de zwaartekracht elkaar niet opheffen.
De normaalkracht van een ondergrond op een voorwerp is een reactiekracht die ontstaat doordat
het voorwerp met een (actie)kracht tegen de ondergrond duwt.
Weerstandskrachten:
Schuifwrijving
Rolweerstand
Luchtweerstand
De maximale schuifwrijvingskracht (Fw, s, max) op een voorwerp door een ondergrond is de maximale
weerstand die het voorwerp op die ondergrond ondervindt zonder te gaan glijden.
Rolweerstand (Fw, rol): tegenwerkende kracht die wordt uitgeoefend op banden van een voertuig
wanneer deze rijdt
Frontale oppervlak: totale oppervlakte als je een voorwerp van voren bekijkt
De luchtweerstand (Fw, l) hangt af van de snelheid, de frontale oppervlakte, de stroomlijn en de
dichtheid van de lucht.
Een kracht teken je als een pijl. De lengte van de pijl geeft, door middel van een krachtenschaal, de
grootte van de kracht in newton.
§1
Een kracht wordt altijd door het ene voorwerp uitgeoefend op het andere voorwerp.
Netto kracht = resulterende kracht = somkracht
§2
Een kracht is altijd een wisselwerking tussen twee voorwerpen, bij voetbal trap je bijvoorbeeld tegen
een bal waardoor de bal vooruit gaat.
Een kracht heeft een grootte, richting en aangrijpingspunt.
Veerkracht (Fv):
Een elastiekje of veer rek je uit door er met je spierkracht aan te trekken.
Een elastiekje of veer trekt dan ook aan jouw hand, dat is de veerkracht.
De veerkracht is evenredig met de uitrekking. Als je de veer twee keer zo ver uitrekt, wordt
de veerkracht ook twee keer zo groot.
De spankracht (Fs) werkt altijd in de richting van het touw, net als de veerkracht van een veer of
elastiek.
De zwaartekracht (Fz) is evenredig met de massa en grijpt aan in het zwaartepunt van het voorwerp.
Normaalkracht (Fn): de kracht van de grond op het voorwerp omhoog, altijd loodrecht op de grond
Actiekracht: gewicht
Reactiekracht: normaalkracht van grond op een voorwerp
Bij een schuin oppervlak kunnen de normaalkracht en de zwaartekracht elkaar niet opheffen.
De normaalkracht van een ondergrond op een voorwerp is een reactiekracht die ontstaat doordat
het voorwerp met een (actie)kracht tegen de ondergrond duwt.
Weerstandskrachten:
Schuifwrijving
Rolweerstand
Luchtweerstand
De maximale schuifwrijvingskracht (Fw, s, max) op een voorwerp door een ondergrond is de maximale
weerstand die het voorwerp op die ondergrond ondervindt zonder te gaan glijden.
Rolweerstand (Fw, rol): tegenwerkende kracht die wordt uitgeoefend op banden van een voertuig
wanneer deze rijdt
Frontale oppervlak: totale oppervlakte als je een voorwerp van voren bekijkt
De luchtweerstand (Fw, l) hangt af van de snelheid, de frontale oppervlakte, de stroomlijn en de
dichtheid van de lucht.
Een kracht teken je als een pijl. De lengte van de pijl geeft, door middel van een krachtenschaal, de
grootte van de kracht in newton.