,Sociaal emotionele problemen
oefententamen vragen
College 1: Introductie
1. Welk criterium hoort niet bij het definiëren van afwijkend gedrag volgens de
ontwikkelingspsychopathologie?
o A) Het is langdurig aanwezig
o B) Het is situatiegebonden
o C) Het veroorzaakt aanzienlijk lijden voor de omgeving
o D) Het belemmert de overgang van ontwikkelingsfasen
2. Welke van de volgende benaderingen benadrukt de rol van genetische en
neurobiologische factoren bij het begrijpen van psychopathologie?
o A) Psychodynamische benadering
o B) Cognitieve benadering
o C) Biopsychosociale benadering
o D) Ecologische benadering
3. Wat is een kernprincipe van het transdiagnostische perspectief in psychopathologie?
o A) Stoornissen worden afzonderlijk bestudeerd en behandeld
o B) Gemeenschappelijke mechanismen worden geïdentificeerd die ten
grondslag liggen aan meerdere stoornissen
o C) Alleen genetische factoren worden in aanmerking genomen
o D) Elke stoornis heeft unieke onderliggende mechanismen
College 2: Autisme
4. Welke van de volgende kenmerken valt niet onder de sociale communicatieproblemen
van de Autisme Spectrum Stoornis volgens de DSM-V?
o A) Tekorten in social/emotionele wederkerigheid
o B) Hyper- of hypo-reactiviteit op sensorische input
o C) Tekorten in non-verbale communicatieve gedragingen
o D) Tekorten in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van relaties
5. Wat is een veelvoorkomend kenmerk van restrictieve en repetitieve gedragingen bij
autisme?
o A) Verlies van spraak
o B) Intensieve focus op specifieke interesses
o C) Vermijden van oogcontact
o D) Hyperactiviteit
6. Welke van de volgende interventies wordt vaak gebruikt bij de behandeling van
kinderen met autisme?
o A) Medicatie
o B) Cognitieve gedragstherapie
o C) Toegepaste gedragsanalyse (ABA)
o D) Psychoanalyse
College 3: Angst
7. Welke van de volgende is geen symptoom van een paniekaanval?
, o A) Hartkloppingen
o B) Misselijkheid
o C) Koorts
o D) Gevoel van ademnood
8. Welke van de volgende stoornissen wordt gekenmerkt door buitensporige angst en
bezorgdheid over meerdere gebeurtenissen of activiteiten gedurende ten minste zes
maanden?
o A) Specifieke fobie
o B) Sociale angststoornis
o C) Gegeneraliseerde angststoornis
o D) Paniekstoornis
9. Wat is een kenmerkend symptoom van een specifieke fobie?
o A) Aanhoudende angst voor sociale situaties
o B) Angstaanvallen zonder duidelijke reden
o C) Intense angst en vermijding van een specifiek object of situatie
o D) Aanhoudende, irrationele gedachten over meerdere onderwerpen
College 4: Trauma
10. Wat is een kenmerk van een posttraumatische stressstoornis (PTSS)?
o A) Herhaaldelijke nachtmerries over de traumatische gebeurtenis
o B) Overmatige angst voor kleine ruimtes
o C) Vermijden van sociale situaties
o D) Hallucinaties
11. Welke van de volgende symptomen is typisch voor acute stressstoornis?
o A) Langdurige depressie
o B) Herbeleven van de traumatische gebeurtenis
o C) Chronische vermoeidheid
o D) Bipolaire stemmingswisselingen
12. Wat is een effectieve behandelmethode voor PTSS?
o A) Antipsychotica
o B) Cognitieve gedragstherapie gericht op trauma (TF-CBT)
o C) Dialectische gedragstherapie
o D) ECT (elektroconvulsietherapie)
College 5: Psychose
13. Wat is een positief symptoom van een psychose?
o A) Verminderde emotionele expressie
o B) Hallucinaties
o C) Sociale terugtrekking
o D) Vertraagd denken
14. Welke van de volgende symptomen is een negatief symptoom van schizofrenie?
o A) Wanen
o B) Hallucinaties
o C) Apathie
o D) Verward denken
15. Wat is een kenmerkend symptoom van een schizoaffectieve stoornis?
o A) Alleen hallucinaties
oefententamen vragen
College 1: Introductie
1. Welk criterium hoort niet bij het definiëren van afwijkend gedrag volgens de
ontwikkelingspsychopathologie?
o A) Het is langdurig aanwezig
o B) Het is situatiegebonden
o C) Het veroorzaakt aanzienlijk lijden voor de omgeving
o D) Het belemmert de overgang van ontwikkelingsfasen
2. Welke van de volgende benaderingen benadrukt de rol van genetische en
neurobiologische factoren bij het begrijpen van psychopathologie?
o A) Psychodynamische benadering
o B) Cognitieve benadering
o C) Biopsychosociale benadering
o D) Ecologische benadering
3. Wat is een kernprincipe van het transdiagnostische perspectief in psychopathologie?
o A) Stoornissen worden afzonderlijk bestudeerd en behandeld
o B) Gemeenschappelijke mechanismen worden geïdentificeerd die ten
grondslag liggen aan meerdere stoornissen
o C) Alleen genetische factoren worden in aanmerking genomen
o D) Elke stoornis heeft unieke onderliggende mechanismen
College 2: Autisme
4. Welke van de volgende kenmerken valt niet onder de sociale communicatieproblemen
van de Autisme Spectrum Stoornis volgens de DSM-V?
o A) Tekorten in social/emotionele wederkerigheid
o B) Hyper- of hypo-reactiviteit op sensorische input
o C) Tekorten in non-verbale communicatieve gedragingen
o D) Tekorten in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van relaties
5. Wat is een veelvoorkomend kenmerk van restrictieve en repetitieve gedragingen bij
autisme?
o A) Verlies van spraak
o B) Intensieve focus op specifieke interesses
o C) Vermijden van oogcontact
o D) Hyperactiviteit
6. Welke van de volgende interventies wordt vaak gebruikt bij de behandeling van
kinderen met autisme?
o A) Medicatie
o B) Cognitieve gedragstherapie
o C) Toegepaste gedragsanalyse (ABA)
o D) Psychoanalyse
College 3: Angst
7. Welke van de volgende is geen symptoom van een paniekaanval?
, o A) Hartkloppingen
o B) Misselijkheid
o C) Koorts
o D) Gevoel van ademnood
8. Welke van de volgende stoornissen wordt gekenmerkt door buitensporige angst en
bezorgdheid over meerdere gebeurtenissen of activiteiten gedurende ten minste zes
maanden?
o A) Specifieke fobie
o B) Sociale angststoornis
o C) Gegeneraliseerde angststoornis
o D) Paniekstoornis
9. Wat is een kenmerkend symptoom van een specifieke fobie?
o A) Aanhoudende angst voor sociale situaties
o B) Angstaanvallen zonder duidelijke reden
o C) Intense angst en vermijding van een specifiek object of situatie
o D) Aanhoudende, irrationele gedachten over meerdere onderwerpen
College 4: Trauma
10. Wat is een kenmerk van een posttraumatische stressstoornis (PTSS)?
o A) Herhaaldelijke nachtmerries over de traumatische gebeurtenis
o B) Overmatige angst voor kleine ruimtes
o C) Vermijden van sociale situaties
o D) Hallucinaties
11. Welke van de volgende symptomen is typisch voor acute stressstoornis?
o A) Langdurige depressie
o B) Herbeleven van de traumatische gebeurtenis
o C) Chronische vermoeidheid
o D) Bipolaire stemmingswisselingen
12. Wat is een effectieve behandelmethode voor PTSS?
o A) Antipsychotica
o B) Cognitieve gedragstherapie gericht op trauma (TF-CBT)
o C) Dialectische gedragstherapie
o D) ECT (elektroconvulsietherapie)
College 5: Psychose
13. Wat is een positief symptoom van een psychose?
o A) Verminderde emotionele expressie
o B) Hallucinaties
o C) Sociale terugtrekking
o D) Vertraagd denken
14. Welke van de volgende symptomen is een negatief symptoom van schizofrenie?
o A) Wanen
o B) Hallucinaties
o C) Apathie
o D) Verward denken
15. Wat is een kenmerkend symptoom van een schizoaffectieve stoornis?
o A) Alleen hallucinaties