Blz 113) Twee studies over de effecten van genen op gedrag zijn:
- De onderzoek naar mutanten
- Het gebruik van selectieve experimenten
Bij selectief teelt is het mogelijk om een genen identiek over te brengen behalve voor een enkel gen.
Je kan als het ware 1 gen behouden en bepaalde genen weg selecteren. Er wordt met verschillende
individuen gekruist en hierbij is het doel om sommige genen te laten verdwijnen of juist te behouden
en sterker te laten worden. Dit klinkt makkelijker dan dat het is. Een voorbeeld is dat onderzoekers
erin zijn geslaagd een kleur te selecteren bij vliegen, hierbij komt wel het mankement tot stand dat
de vibratie van de mannetjes met de vleugels slechter wordt en daardoor minder vrouwtjes
aantrekken.
Blz114/115) hieruit blijkt dat een gen meerdere gevolgen kan hebben en dus meerder
gedragselementen of patronen. 1 gedragspatroon wordt beïnvloed door meerder genen, maar een
gen beïnvloed ook meerdere gedragspatronen.
De fruitvlieg is uitermate geschikt voor kunstmatige selectieve experimenten want ze
vermenigvuldigen zich heel snel. Hierbij werd een experiment gedaan, een onderzoeker liet van 40
vliegen de 20 snelste met elkaar paren en de 20 langzaamste en dat generaties lang. Uiteindelijk zag
je grote verschillen in snelheid van seks. De snelste binnen 3 minuten en de langzaamste 80 minuten.
Door enkel maar individuen te kruisen werd er al verschil in gedrag tot stang gebracht.
117) Soms kan het selecteren van mannetjes of vrouwtjes andere gevolgen hebben bij gedrag.
Wanneer een gedragspatroon wordt beïnvloed door een hormoon is het lastig om te selecteren want
het is geen zeker gegeven dat generatie op generatie het zelfde hoeveelheid hormoon krijgt. Agressie
bij mannetjes stekelbaarzen komt door dit hormoon maar bij vrouwtjes komt agressie niet door
hormonen. Daarom is het nuttiger om agressieve vrouwtjes te selecteren om het agressiefste
stekelbaars te ‘maken‘.
118) conclusie van dit hoofdstuk is dat er voldoende bewijs is voor het feit dat door het veranderen
van genen door selectieve selectie of mutanten er veranderingen in gedragspatronen kunnen
ontstaan. Tevens speelt de omgeving nog steeds een rol hierin.
Gedrag is zeer flexibel. Gedrag kan afwijken van dat van anderen. De vraag is waarom komt dit?
Een reden hiervoor is dat gedrag kan veranderen door culturele overdracht. De ene soort heeft een
andere melodie bij het zingen en dezelfde soort maar een andere plek of groep heeft een ander
melodie. Dit betekent niet dat er genen zijn verandert of wat dan ook. Het is een lichte verandering
of afwijking van elkaar.
119) homoloog is zelfde structuur. Analoog is zelfde functie maar andere structuur.
120/122) Voorbeelden over vergelijkende onderzoeken, geen belangrijke info.
123) De weg waarin dieren zijn geëvolueerd zodat hun gedrag past bij hun manier van leven kan
worden verklaart door het studeren van de verdeling tussen kenmerken in een groep soortgenoten.
124) Voorbeeld over vergelijking in soort tussen de sperma hoeveelheid
125) fylogenie is de studie naar de evolutionaire afkomst van een soort of groep. Of te wel de
ontstaansgeschiedenis. Fylogenetische reconstructie is het bijstellen van de ontstaansgeschiedenis