De huid en bescherming
Hoornlaag: dode, verhoornde epitheelcellen beschermt tegen beschadiging,
uitdroging & infecties
Kiemlaag: levende epitheelcellen, onderste laag deelt zich voortdurend
vormen hoornlaag
- Voedingsstoffen en zuurstof via weefselvloeistof vanuit de lederhuid
- Melanocyten: vormen het donkere pigment melanine beschermt
kiemlaag tegen UV
Talg: vetachtige stof die haar en hoornlaag soepel houdt
Lederhuid: bindweefselcellen, zintuigcellen, zenuwcellen, haarspiertjes,
bloedvaten & zweetklieren
Onderhuids bindweefsel: vetcellen met vacuole, in de vacuole kan zich vet
bevinden isolerend
Temperatuurregeling bij grote verschillen omgevingstemperatuur en
lichaamstemperatuur
- Bloedvaten verwijden/vernauwen, hoe groter hoe meer warmte-afgifte
- Zweet: verdamping van water uit zweet onttrekt warmte aan het
lichaam
Toen de lichaamsbeharing verdween, werd de huidskleur donkerder zwarte
huidskleur beschermt ook tegen uv-straling. In Europa zijn mensen weer blank
geworden, omdat vitamine D dan makkelijker gemaakt kan worden.
Afweer
Pathogeen/ziekteverwekkend: organismen die je ziek kunnen maken
- Virus: één molecuul DNA/RNA met daaromheen een eiwitmantel, kan zich
niet zelfstandig voortplanten. In de gastheercel vindt vermenigvuldiging
plaats virusinfectie
o Maakt gastheer ziek door cellen te doden of beschadigen
Infectie: het binnendringen van ziekteverwekkers in je lichaam
Lichaamsvreemd: stoffen of cellen die niet in je lichaam thuishoren
Mechanische afweer: afweer door bouw, wegspoelen/opvangen van indringers
(snot, speeksel, etc.)
Chemische afweer: bijv. verandering in de pH waardoor bacteriën niet kunnen
groeien (zweet/maagsap/olie van de huid)
Immuunsysteem: afweer wanneer ziekteverwekkers in het interne milieu
binnendringen (lymfoïde organen: beenmerg, thymus, milt & lymfeknopen)
- Aspecifieke afweer: gericht tegen verschillende typen ziekteverwekkers,
snel
- Specifieke afweer: gericht tegen één type ziekteverwekker
Rode beenmerg: in wervels, platte beenderen en uiteinden pijpbeenderen
stamcellen
- Leukocyten (witte bloedcellen): fagocyten & lymfocyten
Fagocytose: waarneming, opname en vertering van ziekteverwekkers door
fagocyten aspecifiek
, - Granulocyten: blaasje smelt samen met lysosomen. De enzymen in de
lysosomen zorgen voor afbraak van de ziekteverwekker. Granulocyten
gaan vervolgens meestal dood.
- Macrofagen: ontwikkelen zich uit monocyten in bloed en verplaatsen zich
vervolgens door het hele lichaam en veranderen van vorm. Fagocyteren
ziekteverwekkers en ruimen dode celresten op. Ze kunnen meerdere
ziekteverwekkers vernietigen.
o In de reactie met een ziekteverwekker worden cytokinen
afgegeven, dit verhoogt de lichaamstemperatuur (koorts)
Cytokinen: door hoge temperatuur wordt ontwikkeling
ziekteverwekkers tegengegaan en worden afweerreacties
versneld
Mediatoren: eiwitten met een regulerende functie
Antibiotica: medicijnen die bacteriën doden, bijv. penicilline
Antigeen: molecuul waar het immuunsysteem op reageert door een specifieke
antistof te produceren
MHC-I-receptoreiwitten: aan de buitenkant van alle cellen met een celkern &
op bloedplaatjes
MHC-II-receptoreiwitten: op macrofagen en geactiveerde B-cellen
- Antigeen-presentatie: na fagocytose door macrofaag wordt de
ziekteverwekker afgebroken delen ziekteverwekker binden aan MHC-II-
receptoreiwitten macrofaag macrofaag wordt antigeen-presenterende
cel (APC) komt in lymfeknopen lymfocyten met de juiste antistof
worden geactiveerd
Cellulaire afweer:
Lymfocyten kunnen binden aan antigeen als antigeen is gebonden aan een MHC-
molecuul. Als de antigeen-specifieke receptor het antigeen identificeert, wordt de
lymfocyt geactiveerd. Geactiveerde T-lymfocyten delen zich veelvuldig tot T-
helpercellen, cytotoxische T-cellen en T-geheugencellen.
- Th-cellen: grootste deel; activeren andere cellen en geven cytokinen af
na binding aan APC
- Tc-cellen: verlaten lymfoïde organen en ruimen geïnfecteerde
lichaamscellen op, ze herkennen deze cellen aan het antigeen van het
virus dat aan MHC-I-receptor gebonden is
- T-geheugencellen: bij een volgende infectie meer T-cellen, dus snellere
afweerreactie
Humorale afweer (humor = vocht): afweer via antistoffen tegen
ziekteverwekkers buiten de cellen
Cytokinen zorgen voor ontwikkeling B-lymfocyten tot plasmacellen en B-
geheugencellen.
- Plasmacellen: vormen antistoffen (immunoglobinen/ig), meestal Y-vorm
o Antistoffen binden aan antigeen en vormen antigeen-
antistofcomplex antigeen wordt onschadelijk gemaakt
Immuniteit
Incubatietijd: tijd die verstrijkt tussen binnendringen ziekteverwekker en eerste
ziekteverschijnselen
Primaire reactie: vorming van antistoffen tegen een ziekteverwekker
Secundaire reactie: onmiddellijke vorming van antistoffen bij tweede
besmetting meer & langzamere afname (immuun)