Hoofdstuk 10 – Alles is nog onontdekt
Versjes, liedjes en prentenboeken in de voor- en vroegschoolse educatie (VVE)
10.1 Spelen, zingen en voorlezen
Veel versjes en liedjes uit de orale kindercultuur bevatten alle belangrijke aspecten voor de
ontwikkeling van taalgevoel.
- Ze hebben rijm, ritme en melodie
- Verbonden met
Zintuigelijke waarnemingen (midden in de nacht)
Dagelijkse routines (slapen gaan, aankleden)
Motorisch spel (paardje rijden, touwtje springen, etc.)
- Ze zitten vol met onderwerpen die de kinderen ontdekken
- Veel speelse herhaling
Veel liedjes en versjes worden begeleid door bewegingen (springen, dansen, klappen, lopen,
rennen, etc.)
- Moet gecoördineerd worden door de stem, de ogen en de oren
Goed voor de motorische, zintuigelijke en muzikale ontwikkeling
- Samen spelen is goed voor de sociale ontwikkeling
Er zijn ook veel prentenboeken voor jonge kinderen
- Gaan o.a. over dagelijkse routine
Snow en Ninio onderscheiden zeven fases in de vroege omgang van jonge kinderen met boeken
1. Boeken zijn om te bekijken, niet om op te bijten, etc.
2. Het boek stuurt de lezer/luisteraar. Het kind leert dat het boek de interactie bestuurt.
3. Boeken zijn een afbeelding van dingen, het is niet grijpbaar.
Afbeelding is niet echt, maar representeert een echt ding
4. Afbeeldingen zijn er om te benoemen; voorwerpen en handelingen kunnen beschreven
worden.
5. Kinderen leren dat aparte afbeeldingen samen een verhaal kunnen vormen.
6. Verhaaltijd is anders dan de werkelijke tijd. Wat in het echt dagen duurt, kan in een paar
minuten verteld worden.
7. Kinderen krijgen beter besef en begrip van fictie en non-fictie.
10.2 Ontluikende geletterdheid
Ieder kind vertelt een verhaal anders na. Dit komt door het verschil in aanbod wat de kinderen
gehad hebben.
Sulzby heeft het verschil in leesgedrag van jonge kinderen in stadia opgedeeld. (zie pg. 194-195)
Het gaat hierin vooral om de overgang van spreektaal naar de schrijftaal van het boek. De
kinderen gaan onderscheid maken tussen vertellen en ‘lezen’.
(Laatste alinea op pg. 195 is samenvatting van deze paragraaf)
10.3 Voor- en vroegschoolse educatie
De ontwikkeling van leesvaardigheid begint al bij de peuters en kleuters. Ze kunnen nog niet zelf
lezen, maar hebben vaak al veel geleerd over functie van geschreven taal, over letters en
verhaalstructuren.
Er zitten vaak grote verschillen in de vroege omgang met verhalen, versjes en liedjes.
- Er kwamen programma’s voor het jonge kind om deze ontwikkeling te stimuleren
Sinds 2000 ook programma’s in Nederland voor kinderen met een taalachterstand.
Het VVE-beleid voor jonge allochtone en autochtone kinderen
Door deze programma’s krijgen de kinderen een grotere kans op een goede schoolloopbaan. De
focus ligt op de algemene en de taalontwikkeling. Er zijn programma’s voor op school maar ook
voor thuis, waarin de ouders het kind begeleiden.
10.4 Het ‘VVE-curriculum’ en jeugdliteratuur
De VVE-periode betreft peuters en kleuters (2-6 jaar). Het onderwijs van deze kinderen wordt vaak
georganiseerd naar de vier ontwikkelingsdoelen.
- Motorisch, taal, cognitief en sociaal-emotioneel
Versjes, liedjes en prentenboeken in de voor- en vroegschoolse educatie (VVE)
10.1 Spelen, zingen en voorlezen
Veel versjes en liedjes uit de orale kindercultuur bevatten alle belangrijke aspecten voor de
ontwikkeling van taalgevoel.
- Ze hebben rijm, ritme en melodie
- Verbonden met
Zintuigelijke waarnemingen (midden in de nacht)
Dagelijkse routines (slapen gaan, aankleden)
Motorisch spel (paardje rijden, touwtje springen, etc.)
- Ze zitten vol met onderwerpen die de kinderen ontdekken
- Veel speelse herhaling
Veel liedjes en versjes worden begeleid door bewegingen (springen, dansen, klappen, lopen,
rennen, etc.)
- Moet gecoördineerd worden door de stem, de ogen en de oren
Goed voor de motorische, zintuigelijke en muzikale ontwikkeling
- Samen spelen is goed voor de sociale ontwikkeling
Er zijn ook veel prentenboeken voor jonge kinderen
- Gaan o.a. over dagelijkse routine
Snow en Ninio onderscheiden zeven fases in de vroege omgang van jonge kinderen met boeken
1. Boeken zijn om te bekijken, niet om op te bijten, etc.
2. Het boek stuurt de lezer/luisteraar. Het kind leert dat het boek de interactie bestuurt.
3. Boeken zijn een afbeelding van dingen, het is niet grijpbaar.
Afbeelding is niet echt, maar representeert een echt ding
4. Afbeeldingen zijn er om te benoemen; voorwerpen en handelingen kunnen beschreven
worden.
5. Kinderen leren dat aparte afbeeldingen samen een verhaal kunnen vormen.
6. Verhaaltijd is anders dan de werkelijke tijd. Wat in het echt dagen duurt, kan in een paar
minuten verteld worden.
7. Kinderen krijgen beter besef en begrip van fictie en non-fictie.
10.2 Ontluikende geletterdheid
Ieder kind vertelt een verhaal anders na. Dit komt door het verschil in aanbod wat de kinderen
gehad hebben.
Sulzby heeft het verschil in leesgedrag van jonge kinderen in stadia opgedeeld. (zie pg. 194-195)
Het gaat hierin vooral om de overgang van spreektaal naar de schrijftaal van het boek. De
kinderen gaan onderscheid maken tussen vertellen en ‘lezen’.
(Laatste alinea op pg. 195 is samenvatting van deze paragraaf)
10.3 Voor- en vroegschoolse educatie
De ontwikkeling van leesvaardigheid begint al bij de peuters en kleuters. Ze kunnen nog niet zelf
lezen, maar hebben vaak al veel geleerd over functie van geschreven taal, over letters en
verhaalstructuren.
Er zitten vaak grote verschillen in de vroege omgang met verhalen, versjes en liedjes.
- Er kwamen programma’s voor het jonge kind om deze ontwikkeling te stimuleren
Sinds 2000 ook programma’s in Nederland voor kinderen met een taalachterstand.
Het VVE-beleid voor jonge allochtone en autochtone kinderen
Door deze programma’s krijgen de kinderen een grotere kans op een goede schoolloopbaan. De
focus ligt op de algemene en de taalontwikkeling. Er zijn programma’s voor op school maar ook
voor thuis, waarin de ouders het kind begeleiden.
10.4 Het ‘VVE-curriculum’ en jeugdliteratuur
De VVE-periode betreft peuters en kleuters (2-6 jaar). Het onderwijs van deze kinderen wordt vaak
georganiseerd naar de vier ontwikkelingsdoelen.
- Motorisch, taal, cognitief en sociaal-emotioneel