Les 1
H1. Leren, een onzichtbaar fenomeen.
Hoofdstuk 1.2 overslaan!
Schools leren: binnen de school dingen leren.
Buitenschools leren: op excursie gaan, praten over onderwerpen. Thuis leren.
Formeel leren: schoolsituatie.
Intentioneel leren: het is de bedoeling dat je leert, les op school.
Informeel leren: buiten school leren, in je vrije tijd.
Incidenteel leren: je leert “toevallig”. Je bent niet van plan te leren.
Expliciet leren: het is de bedoeling dat je leert.
Impliciet leren: doe je uit jezelf, in het gewone leven.
Vermunt = Nederlandse onderwijskundige
Kinderen en volwassenen zijn onder te verdelen in leerstijlen: leerconcepties.
1. Opnameconceptie: Leren uit het boek, doorlezen, uittreksel maken, bestuderen.
2. Constructieconceptie: Wat je leest, koppelen aan ervaringen. Eigen kennis
construeren.
3. Toepassingsconceptie: Eerst kennis toepassen. Kennis in de praktijk brengen.
4. Stimuleringsconceptie: Weinig motivatie. De docent moet deze leerlingen
stimuleren/motiveren.
5. Samenwerkingsconceptie: In een groepje leren. Elkaar overhoren etc.
De voorkeur van personen voor een bepaalde leerconceptie kan per situatie veranderen.
Leerconcepties kunnen ook samengaan.
Kenmerken van leren
Heeft altijd te maken met een inhoud
Speelt zich altijd af in een bepaalde context
Is niet vaak direct waarneembaar
Veronderstelt een activiteit van de lerende zelf
Van Parreren:
“Leren: relatief permanente veranderingen in het gedrag van een individu, die het gevolg zijn
van een oefening en/of ervaring in een bepaalde situatie.”
Behaviorisme: een docent staat voor de klas en legt de leerstof uit. Weinig aandacht voor de
kinderen. Er wordt getest of de leerlingen geleerd hebben door middel van toetsen.
Black box: Je weet niet wat er in de hersenen van kinderen zit.
Het behaviorisme heeft in het onderwijs geleid tot het overdrachtsmodel.
, Overdrachtsmodel: De docent smijt de kennis over de muur, en de leerlingen moeten het
maar opvangen.
Constructivisme: Je bent geïnteresseerd in het proces van de leerlingen. Laat kinderen
vertellen wat ze geleerd hebben, vraag de leerlingen wat ze nog willen leren.
Hoe je leert hangt af van hoe je opgegroeid bent.
Constructivisten zien leren als legoblokjes. Je koppelt nieuwe kennis aan wat je al weet.
12 principes die belangrijk zijn in het lesgeven
1. Motivering leertaak
2. Dialogisch onderwijzen: met de leerlingen praten.
3. Diagnostisch onderwijzen: contact maken met de leerlingen. Je ziet hoe de leerlingen
zich voelen.
4. Leertaak in zinvolle deelstappen
5. Handelen op verschillende niveaus
6. Gedragsgecentreerde instructie en correctie: je maakt van de klas met kinderen een
groep met een leider. Regels en afspraken, kringgesprek etc. Gedrag
corrigeren. Niet straffen!
7. Reflectie, proces en product: met de kinderen reflecteren en evalueren.
8. Gevarieerde oefening.
9. Stimulering van initiatief en creatief.
10. Begeleiding leerlingmotivatie: let iedereen op?
11. Pedagogisch klimaat: iedereen erbij betrekken, de leerlingen zijn één groep.
Les 2/3
Competentie leren
Cognitief: Sociaal-
Luisteren, affectief:
theorie Samenwerken
Psychomotorisch
Je lichaam
gebruiken
Opdracht