Zelfstudievragen bij h 4 en h 8 van Vijf eeuwen
Hoofdstuk 4: Ouders en kinderen in de Republiek
Par. 4.1-4.6
1. Wanneer voltrok zich volgens E. Shorter de ‘romantische revolutie’, op welke drie
terreinen manifesteerde die zich en welke oorzaak wijst hij aan?
De romantische revolutie voltrok zich volgens Shorter omstreeks 1800 en bracht de emotie het
privéleven binnen. Echtelijke liefde, ouderliefde en huiselijkheid verwarmden voortaan het
voorheen zo kille gezinsleven.
2. Vergelijk deze oorzaak met de door Dasberg genoemde oorzaak van de ‘ontdekking
van het kind’.
Dasberg liet in haar boek Rousseau het kind ontdekken. Vóór zijn tijd werden kinderen niet
fundamenteel onderscheiden van volwassenen; het waren volwassenen in zakformaat, meende
zij. Volgens Shorter waren de barre levensomstandigheden van het volk in de negentiende eeuw
de reden dat er geen intiem gezinsleven met liefdevolle aandacht voor kinderen was. De materiële
verbeteringen die na 1800 voortvloeiden uit de modernisering van de economie zouden voor het
kind uit de volksklasse de voorwaarden voor een liefdevolle relatie met zijn ouders hebben
gecreëerd. Ook zouden ouders tot die tijd slechts een instrumentele en geen liefdesrelatie met
elkaar hebben gehad.
3. Welke twee fasen onderscheidt Ariès in de ‘ontdekking van het kind’ en wanneer
manifesteerden die zich?
In de zeventiende eeuw ontstond een gevoel voor het kind (sentiment de l’enfance), waaruit in de
volgende eeuw een gevoel voor het gezin (sentiment de la famille) groeide.
4. Welke rol speelden respectievelijk het onderwijs en de gegoede burgerij in dit
proces?
Er ontstond een pedagogische blik op het kind bij schrijvers en schilders, dat werd gevolgd door
institutionele ontwikkelingen als de groei van het aantal scholen voor voortgezet onderwijs. Het
groeiend belang van een formele opleiding buiten de met volwassenen gedeelde sfeer van de
arbeid, vergrootte vervolgens het belang van vorming en discipline en deed ten slotte in de
achttiende eeuw een intiem gezinsleven ontstaan. Uit de kluwen van culturele en
maatschappelijke ontwikkelingen, die ook een losmaking uit een nauwe verbondenheid met de
gemeenschap van dorp of buurt impliceerden, ontstond het moderne gezinsleven, waarin het kind
een centrale plaats inneemt. De gegoede burgerij vervulde hierin een voortrekkersfunctie.
5. Welke drie factoren zag L. Stone als oorzaken van de emotionalisering van het
gezinsleven?
Aanvankelijk was er nauwelijks sprake van liefdesgevoelens tussen huwelijkspartners en tussen
ouders en kinderen. Geleidelijk echter werd affectiviteit tussen gezinsleden steeds belangrijker,
terwijl de contacten met de verdere familieleden aan betekenis inboetten. Volgens Stone speelde
1) de protestantse religieuze verdiepingsbeweging die zich in de zeventiende eeuw in Engeland
manifesteerde, het puritanisme, hierbij een voorname rol. Puriteinen beschouweden het gezin als
de kleine kerk, waar men onder leiding van de vader het geloof beleed; 2) toename van de macht
van de centrale staat en 3) de economische modernisering.
6. Wat verstaat hij onder ‘gezinsindividualisering’ in de 16e-18e eeuw?
De grote invloed van het puritanisme rond het midden van de zeventiende eeuw deed het Britse
gezin definitief op eigen benen staan, los van de verdere familie en gemeenschap.
7. Welke deugden prijst Jan Steen via zijn ‘huishoudens’ aan?
,Hij hield de burgers met zijn schilderijen een spiegel voor over het belang van een ordelijk en
deugdzaam leven. Een welbewuste opvoeding tot vroomheid en een kuise levenswandel hoorden
daarbij. Deugden als arbeidzaamheid, oprechtheid en spaarzaamheid.
8. Hoe noemt men de wetenschappelijke stellingname van auteurs als Ariès, Stone en
Shorter en welke argumenten gebruikten zij?
Evolutionistisch: legt de nadruk op het ontstaan van het moderne gezin en van de kindertijd. Er
zouden tot de achttiende eeuw geen hechte gezonnen en liefdevolle ouder hebben bestaan. Het
gebruik van bronnen door de evolutionistische auteurs werd voorwerp van kritiek. Ariès en
Shorter baseerden zich vooral op teksten afkomstig van personen die bijdroegen aan het
intellectuele debat over deze thema’s. Hun uitspraken verwezen niet naar feitelijke toestanden
maar naar gewenste hervormingen van het onderwijs, de toestand van de armen of het gebrekkige
niveau van kinderverzorging in de volksklasse. Het gaat dus om de visie van moralisten,
volksopvoeders en schoolhervormers, niet om de feiten zonder meer. Dat zagen de genoemde
auteurs over het hoofd.
9. Welke argumenten hebben de ‘revisionisten’ daar op basis van hun onderzoek
tegenin gebracht?
Vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw is sprake van een revisionistische benadering, die
gegevens aandraagt waaruit blijkt dat gezinnen in ieder geval vanaf de zestiende eeuw een intiem
karakter hadden. Onderzoek naar de Middeleeuwen heeft aangetoond dat kinderen toen reeds
telden en dat volwassenen, leken en kloosterlingen, wel degelijk een onderscheid tussen henzelf
en jongere kinderen maakten. Van Ariès stelling dat de kindertijd in de Middeleeuwen niet
bestond, bleef weinig overeind. Alle onderzoek wijst in de richting dat ouders lang voor de
zeventiende en achttiende eeuw gewoonlijk alles in het werk stelden of ten minste hun best deden
hun kinderen zo goed mogelijk te verzorgen en daarbij wel degelijk werden geleid door
gevoelens van liefde voor hun kroost. Van het ontstaan van het gezin of een ontdekking van de
kindertijd is dan geen sprake – ze waren er gewoon.
10. Waarop wijst speelgoed uit de zeventiende eeuw of daarvoor?
Dat kinderen wel degelijk anders werden gezien dan volwassenen en dat ze mochten spelen.
11. Tot welke conclusies komt L. Pollock in dit verband en welke kritiek is daar tegenin
gebracht?
Haar onderzoek wees uit dat ouders al in de zestiende eeuw een voorstelling hadden van kinderen
als afwijkend van volwassenen – kwetsbaar en opvoedbaar – dat zij hun taak serieus namen en
dat ze zonder uitzondering treurden om hun dierbare kleinen bij ziekte en dood. Kinderen
mochten spelen en ouders besteedden veel aandacht en geld aan opleiding en vorming.
Volwassenen beleefden plezier aan hun kinderen en dat was, als we op de weinige dagboeken
van kinderen zelf mogen afgaan, in de regel wederzijds. Pollock zag hierin geen verandering
gedurende de bestudeerde eeuwen. Steeds waren er strenge en meer toegevende ouders.
Pollock zou haar bronnen verkeerd hebben gelezen het typisch Britse over de knie leggen van een
stout kind om zijn achterste met een zweep te bewerken hebben gelezen als een simpele oorvijg.
Verder is kritiek dat Pollock haar conclusies generaliseert naar de hele samenleving, terwijl het
soort bronnen dat zij heeft gebruikt nu juist alleen is geproduceerd door geletterden. Buiten de
burgerklasse vindt men vrijwel geen dagboekschrijvers, laat staan autobiografen. De bestudeerde
teksten zijn dus vaak afkomstig van burgers die van gewetensonderzoek een gewoonte maakten.
Dat zij de opvoeding serieus namen ligt voor de hand.
12. Wat verstaat men onder de ‘witte legende’ en wat onder de ‘zwarte legende’?
De statische, revisionistische en zonnige visie van Pollock wordt wel aangeduid met het begrip
‘witte legende’, doelend op de radicale omkering van het sombere verhaal van evolutionisten als
, Shorter dat het privéleven van mensen in de vroegmoderne tijd gekenmerkt werd door een gebrek
aan liefde, ofwel de ‘zwarte legende’. Zowel de kleurstelling als het begrip legende zelf
verwijzen onbedoeld naar het ontbreken van nuances in beide voorstellingen. Net als in het leven
ligt ook in het historisch onderzoek de waarheid doorgaans niet bij de uitersten, maar in het
midden.
13. Welke conclusie kunnen we trekken t.a.v. de kindertijd in de Republiek?
Dat er in de Republiek sprake was van een intiem gezinsleven onder de burgerij.
14. Noem de religieuze, sociaal-economische en culturele kenmerken van de Gouden
Eeuw van de Republiek die het opvoedkundig klimaat hebben bepaald? (4.2)
Religieuze: de Gereformeerde Kerk gaf via kerkelijke tucht leiding aan het geestelijk maar ook
aan het huwelijks- en gezinsleven van de noordelijke Nederlanders. Er was een Nederlandse
vertaling van de Heidelbergse Catechismus verschenen, waarin de beginselen van de
Gereformeerde Kerk waren vastgelegd. Verder was er veel religieuze tolerantie: vrijheid van
geweten. Alle minderheden konden hun geloof belijden.
Sociaal-economische: tot aan de late achttiende eeuw zou het de Republiek economisch voor de
wind gaan. De Republiek had namelijk een koppositie in de internationale wereldhandel die zij
dankzij de Amsterdamse stapelmarkt verwierf. De leidende positie had Amsterdam te danken aan
de val van Antwerpen in 1585. Tot die tijd was Antwerpen het bloeiende handelscentrum
geweest. De Spaanse veroveraars op Antwerpen dwongen de Antwerpse kooplieden zich te
bekeren (velen waren calvinistisch of joods) of te vertrekken. Ze kozen voor het laatste en
trokken massaal naar de Republiek. Met hun vakkennis en ervaring in de handel en productie van
hoogwaardige wollen stoffen legden deze vluchtelingen uit het Zuiden het fundament onder ten
minste twee pijlers van het economische succes van de jonge Republiek: de door Amsterdamse
kooplieden gedomineerde Europese en koloniale handel en herstel en bloei van de Leidse wollen
stoffenfabricage, de lakennijverheid. Ook de agrarische sector kende al een hoog niveau van
specialisatie. De burgers van de talloze steden, hun activiteiten en behoeften, domineerden ook
het omringende platteland. Daardoor was er al sinds het eind van de Middeleeuwen een moderne
kapitalistische markteconomie ontstaan, waar vraag en aanbod de prijzen dicteerden en
particulier ondernemerschap regel was. Door moderne economie bestond overal in de Republiek
een grote differentiatie van beroepen. Stad en platteland waren nauw met elkaar verweven.
Culturele: hoge graad van urbanisatie in vergelijking met de rest van Europa. Er was een
burgerlijke mentaliteit in de hele Republiek: vrijheidslievend, onafhankelijk en individualistisch.
Verder was er bijna geen adel in de Republiek. Sterk geloof in de opvoeding: mensen waren
maakbaar.
15. Wanneer zette de economische neergang in en onder invloed waarvan gebeurde dat?
Omstreeks het midden van de achttiende eeuw verloor de Republiek haar bevoorrechte positie op
vrijwel alle gebieden onder meer door een gebrek aan investeringen in de eigen handelsactiviteit
en verwaarlozing van de nijverheid. Door een sterk oplopende staatsschuld en het onvermogen
hogere belastingen te innen, ontbrak het de Republiek aan financiële reserves om haar enorme
huurlegers in stand te houden.
Vanaf ongeveer 1780 vond de economische neergang een pedant in politieke onrust. Patriotten
stelden de bevoorrechte regentenklasse en de Oranjes verantwoordelijk voor de economische
stagnatie, de enorme staatsschuld en de groeiende kloof tussen arm en rijk.
16. Welk deel van de (huwende) Nederlanders kon ca. 1650 lezen en schrijven?
Ongeveer twee derde van de mannen en een derde van de vrouwen. Maar er konden naar alle
waarschijnlijkheid nog veel meer mensen lezen.
Hoofdstuk 4: Ouders en kinderen in de Republiek
Par. 4.1-4.6
1. Wanneer voltrok zich volgens E. Shorter de ‘romantische revolutie’, op welke drie
terreinen manifesteerde die zich en welke oorzaak wijst hij aan?
De romantische revolutie voltrok zich volgens Shorter omstreeks 1800 en bracht de emotie het
privéleven binnen. Echtelijke liefde, ouderliefde en huiselijkheid verwarmden voortaan het
voorheen zo kille gezinsleven.
2. Vergelijk deze oorzaak met de door Dasberg genoemde oorzaak van de ‘ontdekking
van het kind’.
Dasberg liet in haar boek Rousseau het kind ontdekken. Vóór zijn tijd werden kinderen niet
fundamenteel onderscheiden van volwassenen; het waren volwassenen in zakformaat, meende
zij. Volgens Shorter waren de barre levensomstandigheden van het volk in de negentiende eeuw
de reden dat er geen intiem gezinsleven met liefdevolle aandacht voor kinderen was. De materiële
verbeteringen die na 1800 voortvloeiden uit de modernisering van de economie zouden voor het
kind uit de volksklasse de voorwaarden voor een liefdevolle relatie met zijn ouders hebben
gecreëerd. Ook zouden ouders tot die tijd slechts een instrumentele en geen liefdesrelatie met
elkaar hebben gehad.
3. Welke twee fasen onderscheidt Ariès in de ‘ontdekking van het kind’ en wanneer
manifesteerden die zich?
In de zeventiende eeuw ontstond een gevoel voor het kind (sentiment de l’enfance), waaruit in de
volgende eeuw een gevoel voor het gezin (sentiment de la famille) groeide.
4. Welke rol speelden respectievelijk het onderwijs en de gegoede burgerij in dit
proces?
Er ontstond een pedagogische blik op het kind bij schrijvers en schilders, dat werd gevolgd door
institutionele ontwikkelingen als de groei van het aantal scholen voor voortgezet onderwijs. Het
groeiend belang van een formele opleiding buiten de met volwassenen gedeelde sfeer van de
arbeid, vergrootte vervolgens het belang van vorming en discipline en deed ten slotte in de
achttiende eeuw een intiem gezinsleven ontstaan. Uit de kluwen van culturele en
maatschappelijke ontwikkelingen, die ook een losmaking uit een nauwe verbondenheid met de
gemeenschap van dorp of buurt impliceerden, ontstond het moderne gezinsleven, waarin het kind
een centrale plaats inneemt. De gegoede burgerij vervulde hierin een voortrekkersfunctie.
5. Welke drie factoren zag L. Stone als oorzaken van de emotionalisering van het
gezinsleven?
Aanvankelijk was er nauwelijks sprake van liefdesgevoelens tussen huwelijkspartners en tussen
ouders en kinderen. Geleidelijk echter werd affectiviteit tussen gezinsleden steeds belangrijker,
terwijl de contacten met de verdere familieleden aan betekenis inboetten. Volgens Stone speelde
1) de protestantse religieuze verdiepingsbeweging die zich in de zeventiende eeuw in Engeland
manifesteerde, het puritanisme, hierbij een voorname rol. Puriteinen beschouweden het gezin als
de kleine kerk, waar men onder leiding van de vader het geloof beleed; 2) toename van de macht
van de centrale staat en 3) de economische modernisering.
6. Wat verstaat hij onder ‘gezinsindividualisering’ in de 16e-18e eeuw?
De grote invloed van het puritanisme rond het midden van de zeventiende eeuw deed het Britse
gezin definitief op eigen benen staan, los van de verdere familie en gemeenschap.
7. Welke deugden prijst Jan Steen via zijn ‘huishoudens’ aan?
,Hij hield de burgers met zijn schilderijen een spiegel voor over het belang van een ordelijk en
deugdzaam leven. Een welbewuste opvoeding tot vroomheid en een kuise levenswandel hoorden
daarbij. Deugden als arbeidzaamheid, oprechtheid en spaarzaamheid.
8. Hoe noemt men de wetenschappelijke stellingname van auteurs als Ariès, Stone en
Shorter en welke argumenten gebruikten zij?
Evolutionistisch: legt de nadruk op het ontstaan van het moderne gezin en van de kindertijd. Er
zouden tot de achttiende eeuw geen hechte gezonnen en liefdevolle ouder hebben bestaan. Het
gebruik van bronnen door de evolutionistische auteurs werd voorwerp van kritiek. Ariès en
Shorter baseerden zich vooral op teksten afkomstig van personen die bijdroegen aan het
intellectuele debat over deze thema’s. Hun uitspraken verwezen niet naar feitelijke toestanden
maar naar gewenste hervormingen van het onderwijs, de toestand van de armen of het gebrekkige
niveau van kinderverzorging in de volksklasse. Het gaat dus om de visie van moralisten,
volksopvoeders en schoolhervormers, niet om de feiten zonder meer. Dat zagen de genoemde
auteurs over het hoofd.
9. Welke argumenten hebben de ‘revisionisten’ daar op basis van hun onderzoek
tegenin gebracht?
Vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw is sprake van een revisionistische benadering, die
gegevens aandraagt waaruit blijkt dat gezinnen in ieder geval vanaf de zestiende eeuw een intiem
karakter hadden. Onderzoek naar de Middeleeuwen heeft aangetoond dat kinderen toen reeds
telden en dat volwassenen, leken en kloosterlingen, wel degelijk een onderscheid tussen henzelf
en jongere kinderen maakten. Van Ariès stelling dat de kindertijd in de Middeleeuwen niet
bestond, bleef weinig overeind. Alle onderzoek wijst in de richting dat ouders lang voor de
zeventiende en achttiende eeuw gewoonlijk alles in het werk stelden of ten minste hun best deden
hun kinderen zo goed mogelijk te verzorgen en daarbij wel degelijk werden geleid door
gevoelens van liefde voor hun kroost. Van het ontstaan van het gezin of een ontdekking van de
kindertijd is dan geen sprake – ze waren er gewoon.
10. Waarop wijst speelgoed uit de zeventiende eeuw of daarvoor?
Dat kinderen wel degelijk anders werden gezien dan volwassenen en dat ze mochten spelen.
11. Tot welke conclusies komt L. Pollock in dit verband en welke kritiek is daar tegenin
gebracht?
Haar onderzoek wees uit dat ouders al in de zestiende eeuw een voorstelling hadden van kinderen
als afwijkend van volwassenen – kwetsbaar en opvoedbaar – dat zij hun taak serieus namen en
dat ze zonder uitzondering treurden om hun dierbare kleinen bij ziekte en dood. Kinderen
mochten spelen en ouders besteedden veel aandacht en geld aan opleiding en vorming.
Volwassenen beleefden plezier aan hun kinderen en dat was, als we op de weinige dagboeken
van kinderen zelf mogen afgaan, in de regel wederzijds. Pollock zag hierin geen verandering
gedurende de bestudeerde eeuwen. Steeds waren er strenge en meer toegevende ouders.
Pollock zou haar bronnen verkeerd hebben gelezen het typisch Britse over de knie leggen van een
stout kind om zijn achterste met een zweep te bewerken hebben gelezen als een simpele oorvijg.
Verder is kritiek dat Pollock haar conclusies generaliseert naar de hele samenleving, terwijl het
soort bronnen dat zij heeft gebruikt nu juist alleen is geproduceerd door geletterden. Buiten de
burgerklasse vindt men vrijwel geen dagboekschrijvers, laat staan autobiografen. De bestudeerde
teksten zijn dus vaak afkomstig van burgers die van gewetensonderzoek een gewoonte maakten.
Dat zij de opvoeding serieus namen ligt voor de hand.
12. Wat verstaat men onder de ‘witte legende’ en wat onder de ‘zwarte legende’?
De statische, revisionistische en zonnige visie van Pollock wordt wel aangeduid met het begrip
‘witte legende’, doelend op de radicale omkering van het sombere verhaal van evolutionisten als
, Shorter dat het privéleven van mensen in de vroegmoderne tijd gekenmerkt werd door een gebrek
aan liefde, ofwel de ‘zwarte legende’. Zowel de kleurstelling als het begrip legende zelf
verwijzen onbedoeld naar het ontbreken van nuances in beide voorstellingen. Net als in het leven
ligt ook in het historisch onderzoek de waarheid doorgaans niet bij de uitersten, maar in het
midden.
13. Welke conclusie kunnen we trekken t.a.v. de kindertijd in de Republiek?
Dat er in de Republiek sprake was van een intiem gezinsleven onder de burgerij.
14. Noem de religieuze, sociaal-economische en culturele kenmerken van de Gouden
Eeuw van de Republiek die het opvoedkundig klimaat hebben bepaald? (4.2)
Religieuze: de Gereformeerde Kerk gaf via kerkelijke tucht leiding aan het geestelijk maar ook
aan het huwelijks- en gezinsleven van de noordelijke Nederlanders. Er was een Nederlandse
vertaling van de Heidelbergse Catechismus verschenen, waarin de beginselen van de
Gereformeerde Kerk waren vastgelegd. Verder was er veel religieuze tolerantie: vrijheid van
geweten. Alle minderheden konden hun geloof belijden.
Sociaal-economische: tot aan de late achttiende eeuw zou het de Republiek economisch voor de
wind gaan. De Republiek had namelijk een koppositie in de internationale wereldhandel die zij
dankzij de Amsterdamse stapelmarkt verwierf. De leidende positie had Amsterdam te danken aan
de val van Antwerpen in 1585. Tot die tijd was Antwerpen het bloeiende handelscentrum
geweest. De Spaanse veroveraars op Antwerpen dwongen de Antwerpse kooplieden zich te
bekeren (velen waren calvinistisch of joods) of te vertrekken. Ze kozen voor het laatste en
trokken massaal naar de Republiek. Met hun vakkennis en ervaring in de handel en productie van
hoogwaardige wollen stoffen legden deze vluchtelingen uit het Zuiden het fundament onder ten
minste twee pijlers van het economische succes van de jonge Republiek: de door Amsterdamse
kooplieden gedomineerde Europese en koloniale handel en herstel en bloei van de Leidse wollen
stoffenfabricage, de lakennijverheid. Ook de agrarische sector kende al een hoog niveau van
specialisatie. De burgers van de talloze steden, hun activiteiten en behoeften, domineerden ook
het omringende platteland. Daardoor was er al sinds het eind van de Middeleeuwen een moderne
kapitalistische markteconomie ontstaan, waar vraag en aanbod de prijzen dicteerden en
particulier ondernemerschap regel was. Door moderne economie bestond overal in de Republiek
een grote differentiatie van beroepen. Stad en platteland waren nauw met elkaar verweven.
Culturele: hoge graad van urbanisatie in vergelijking met de rest van Europa. Er was een
burgerlijke mentaliteit in de hele Republiek: vrijheidslievend, onafhankelijk en individualistisch.
Verder was er bijna geen adel in de Republiek. Sterk geloof in de opvoeding: mensen waren
maakbaar.
15. Wanneer zette de economische neergang in en onder invloed waarvan gebeurde dat?
Omstreeks het midden van de achttiende eeuw verloor de Republiek haar bevoorrechte positie op
vrijwel alle gebieden onder meer door een gebrek aan investeringen in de eigen handelsactiviteit
en verwaarlozing van de nijverheid. Door een sterk oplopende staatsschuld en het onvermogen
hogere belastingen te innen, ontbrak het de Republiek aan financiële reserves om haar enorme
huurlegers in stand te houden.
Vanaf ongeveer 1780 vond de economische neergang een pedant in politieke onrust. Patriotten
stelden de bevoorrechte regentenklasse en de Oranjes verantwoordelijk voor de economische
stagnatie, de enorme staatsschuld en de groeiende kloof tussen arm en rijk.
16. Welk deel van de (huwende) Nederlanders kon ca. 1650 lezen en schrijven?
Ongeveer twee derde van de mannen en een derde van de vrouwen. Maar er konden naar alle
waarschijnlijkheid nog veel meer mensen lezen.