1. Constitutionele uitgangspunten........................................................................................................3
2. De koning...........................................................................................................................................3
3: Ministers en strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid.......................................................5
4: Politieke ministeriële verantwoordelijkheid......................................................................................5
5: Inlichtingenplichten...........................................................................................................................7
6: Ministerraad en staatssecretarissen..................................................................................................8
7: De minister-president........................................................................................................................9
8: De Staten-Generaal: vertegenwoordiging, kiesstelsel en tweekamerstelsel...................................10
9: De rechtspositie van kamerleden....................................................................................................11
10. Bevoegdheden van de Staten-Generaal........................................................................................12
11: Kabinetsformatie...........................................................................................................................13
12. Ontslag van ministers en kamerontbinding...................................................................................14
13: Parlement en Europa.....................................................................................................................16
14: Staatsvormen 1 (Duitsland)...........................................................................................................17
15: Staatsvormen 2 (Federalisme in de EU).........................................................................................19
16: Staatshoofd 1.................................................................................................................................20
17: President van de VS.......................................................................................................................21
18: Wetsprocedure Duitsland, Frankrijk, VK........................................................................................23
19: Wetsprocedure VS.........................................................................................................................24
20: Constitutionele verhouding in VK..................................................................................................26
21: Constitutionele verhoudingen in Duitsland...................................................................................27
22: Gedragsregels voor leden van het parlement................................................................................29
23: Verhouding regering – parlement in Europa.................................................................................30
24: Verhouding regering – parlement in VS.........................................................................................31
25: Constitutionele toetsing................................................................................................................32
1: Rechtsstaat, legaliteitsbeginsel, Statuut..........................................................................................33
2: Het Statuut......................................................................................................................................34
3: De Grondwet...................................................................................................................................35
4: Wet in formele zin en zelfstandige AMVB.......................................................................................36
5: Delegatie van wetgevende bevoegdheid.........................................................................................38
6: Binding van het koninkrijk aan verdragen........................................................................................39
7: Doorwerking internationale rechtsnormen en EU-recht.................................................................40
8: Normenhiërarchie en rechterlijke toetsing......................................................................................41
9: Rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten....................................42
,10: Algemene aspecten van decentralisatie........................................................................................43
11: De raad en het college; verordenende bevoegdheid.....................................................................44
12: De burgemeester; openbare-ordehandhaving..............................................................................46
14: Rechtspraak, rechterlijke organisatie.............................................................................................47
15: Onafhankelijkheid van de rechter, de bestuursstructuur van de rechterlijke macht en het OM...48
16: Hoge Raad, rechtseenheid, onrechtmatige rechtspraak................................................................50
17: Toegang tot de rechter..................................................................................................................51
18: Rechtspraak en rechtsvorming: political questions.......................................................................52
19: Grondrechten: algemene inleiding................................................................................................53
20: Beperking van grondwettelijke grondrechten...............................................................................55
21: Internationale grondrechten.........................................................................................................56
22: Uitingsvrijheid & vrijheid van betoging..........................................................................................58
23: Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging & vrijheid van onderwijs........................................59
24: Gelijkheidsbeginsel........................................................................................................................60
25: Recht op privacy............................................................................................................................62
,Samenvatting Staatsrecht
Hoorcolleges
1. Constitutionele uitgangspunten
Rechtsbronnen politieke staatsrecht
o Grondwet en Reglementen van orde, bijv. RvO Ministerraad (verhoudingen
tussen MP en ministers), RvO 2e en 1e kamer. Intern werkende regels.
o Ongeschreven recht
Constitutionele uitgangspunten
o Democratie
o Rechtsstaat
o Grondrechten
o Machtenscheiding: met als doel om machtsconcentratie tegen te gaan.
Organisatorisch: wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht.
Duidelijk in de GW.
Functioneel: wetgever, bestuur, rechter
Geen absolute machtenscheiding, maar wel checks and balances die bestaan
uit:
- Gedeelde bevoegdheden: regering heeft wetgevende taak, S-G hebben
bestuurlijke taak, regering en wetgever beïnvloeden rechterlijke macht.
- Controle tussen staatsmachten:
o Ministeriële verantwoordelijkheid
o Vertrouwensregel
o Kamerontbinding
Rechter en politiek
o Verkiezingsafspraak Elsloo: twee mensen die een afspraak hadden gemaakt
over de gemeenteraad, degene die minder stemmen had zou zijn benoeming
niet aannemen om te zorgen dat de ander met meer stemmen benoemd zou
worden. Toen werd degene met minder stemmen alsnog gekozen en nam hij
de benoeming aan.
HR: de rechter dient zich terughoudend op te stellen als een afspraak is
gemaakt in een politieke sfeer. Rechter wilt zich niet bemoeien met de
politiek.
o Waterpakt: er wordt aan de rechter gevraagd of hij een bevel geeft aan de
wetgever om een EU-richtlijn om te zetten.
HR: 81 GW: totstandkoming van wetten door regering + SG. 94 GW: is
anders dan een wetgevingsbevel, dus niet van toepassing. Een bevel aan de
wetgever om formele wetgeving vast te stellen is dus niet mogelijk.
2. De koning
o Terminologie: vroeger sterk monarchaal, de GW beschreef alles vanuit de koning.
Nieuwe grondwet:
o Koning = koning persoonlijk
o Regering = de regering
, o Koninklijk besluit = de regering
Nieuwe grondwet is echter niet consistens, bijvoorbeeld 29 GW: ‘voorstel wordt
door of vanwege de koning ingediend’, dit is niet de koning persoonlijk maar de
regering.
Onschendbaarheid en ministeriële verantwoordelijkheid
o 42 lid 2 GW: verhouding tussen de koning en ministers. Koning is
onschendbaar en ministers zijn verantwoordelijk. Ministeriële
verantwoordelijkheid is de oplossing voor de onschendbaarheid van de
koning. De contraseign beperkt ook de macht van de koning.
o Koning is altijd onschendbaar! Hij heeft het hoogste gezag
Civiele geschillen: aansprakelijk via gemachtigde
Staat de koning boven de wet? Nee, want:
32 GW: beëdiging en belooft trouw aan de Grondwet.
35 GW: geen strafrechtelijke vervolging maar hij kan wel
worden afgezet als koning.
Koning als staatshoofd
o 41 GW: koning richt zelf zijn hof en huishouding in, in beginsel dus geen
contraseign nodig.
o 74 GW: koning is voorzitter van de Raad van State. Hij doet echter niks als
voorzitter, geen inhoudelijke functie.
o Vroeger kabinetsformatie, nu niet meer, de 2e kamer wijst een verkenner aan.
o Symboolfunctie.
Koning als lid van de regering
o 42 GW: regering gevormd door Koning en ministers
o 47 GW: contraseign
o Is de Koning verplicht te tekenen? Nee, eigenlijk niet, maar sommigen zeggen
de nevenschikking betekent dat hij wel verplicht is:
45 lid 3 GW: ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen
regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid. Maar dit artikel
zegt niets over de verhouding tot de koning, alleen maar interne
competentieverdeling van de ministerraad.
Geheim van de Kroon: inhoud gesprekken koning en ministers niet
openbaar. Je weet niet of de koning meewerkt of niet, want ze treden
naar buiten als één.
Democratische legitimering
De koning zou volgens sommigen geen democratische legitimering hebben en daarom
buiten de regering geplaatst moeten worden. Er is directe democratische legitimatie
(parlement) en afgeleide democratische legitimatie (vertrouwensregels).
o Argumenten vóór democratische legitimatie:
Er zijn meer ambten zonder democratische legitimatie: RvS, rechter.
Koning heeft wel indirecte democratische legitimatie: grondwetgever
heeft in 1983 de positie van de koning bekrachtigd bij de
grondwetswijziging.