10 voor biologie
Hoofdstuk 13 - Eiwitten
Eiwitten (proteïnen) zijn opgebouwd uit aminozuren (20, -COOH en -NH 2 peptidebindingen).
Eiwitten bestaan uit vier niveaus:
- Primaire structuur: bepaald door aminozuurvolgorde van de streng;
- Secundaire structuur: ineengestrengelde spiralen met waterstofbruggen (alfahelix,
betaplaat);
- Tertiaire structuur: bepaald door waterstof- en zwavelbruggen, die de ruimtelijke ligging
bepaalt en daarmee ook de koppeling die het eiwit eventueel aan kan gaan met andere
stoffen;
- Quaternaire structuur: wanneer een eiwit bestaat uit twee of meer polypeptideketens
macromolecuul.
Eiwitten hebben ontelbare functies: het opbouwen van cellen en weefsels, transport, het opvangen
en uitzenden van signalen, het samentrekken van spieren, je afweer, enzymwerking, hormonale
werking en bloedstolling.
Eiwitsynthese:
1. DNA bevat de erfelijke code in de vorm van drietallen nucleotiden, de tripletten. Een triplet
vormt de code (codon) voor één aminozuur. Enkele tripletten hebben een andere betekenis.
Er is o.a. een startcodon dat het begin van een gen aangeeft en een stopcodon dat het einde
aangeeft;
2. Een gen voor een eiwit bestaat dus uit een reeks tripletten met aan het begin een startcodon
en aan het eind een stopcodon;
3. Wanneer een eiwit moet worden gevormd, wordt het gen, een stukje DNA, gekopieerd in de
vorm van mRNA. Dit kopiëren heet transcriptie. mRNA betekent 'messenger-RNA';
4. mRNA wordt in de kern gevormd en brengt de informatie buiten de kern;
5. Op een of meer ribosomen in het cytoplasma wordt de code vervolgens afgelezen en wordt
het eiwit gevormd: dit heet translatie;
6. Het ribosoom 'krijgt' de losse aminozuren vanuit het cytoplasma aangevoerd door tRNA, een
opgevouwen RNA dat aan de ene kant de juiste code draagt (het spiegelbeeld van dat in het
mRNA) en aan de andere kant het bijbehorende aminozuur kan binden. De aminozuren
moeten natuurlijk wel 'op voorraad' in het cytoplasma aanwezig zijn.
Enzymvorming wordt onder controle gehouden door regulatorgenen. Zo'n regulatorgen codeert
voor een repressor. Dat is een eiwit die zich hecht aan de operator. De operator is een stuk DNA, dat
zich bevindt tussen de promotor en het structuurgen. Zolang de repressor aan de operator vast zit,
kan RNA-polymerase niet koppelen aan het DNA en wordt er geen mRNA voor het desbetreffende
enzym gemaakt. Het gen komt dan niet tot expressie (/activator). Het totaal aan regulatorgenen die
de vorming van een bepaald eiwit reguleren wordt een operon genoemd.
Wanneer nucleosomen (meerdere klosjes histonen) stabiel zijn, kunnen ze niet afgelezen worden,
net zoals het geval is bij methylering.
Een gen bestaat uit introns (niet-coderend DNA) en exons (coderend DNA)(splicing).
Bij een te hoge temperatuur of een te hoge of te lage pH verandert de tertiaire structuur, waardoor
het enzym onwerkzaam wordt.
Hoofdstuk 13 - Eiwitten
Eiwitten (proteïnen) zijn opgebouwd uit aminozuren (20, -COOH en -NH 2 peptidebindingen).
Eiwitten bestaan uit vier niveaus:
- Primaire structuur: bepaald door aminozuurvolgorde van de streng;
- Secundaire structuur: ineengestrengelde spiralen met waterstofbruggen (alfahelix,
betaplaat);
- Tertiaire structuur: bepaald door waterstof- en zwavelbruggen, die de ruimtelijke ligging
bepaalt en daarmee ook de koppeling die het eiwit eventueel aan kan gaan met andere
stoffen;
- Quaternaire structuur: wanneer een eiwit bestaat uit twee of meer polypeptideketens
macromolecuul.
Eiwitten hebben ontelbare functies: het opbouwen van cellen en weefsels, transport, het opvangen
en uitzenden van signalen, het samentrekken van spieren, je afweer, enzymwerking, hormonale
werking en bloedstolling.
Eiwitsynthese:
1. DNA bevat de erfelijke code in de vorm van drietallen nucleotiden, de tripletten. Een triplet
vormt de code (codon) voor één aminozuur. Enkele tripletten hebben een andere betekenis.
Er is o.a. een startcodon dat het begin van een gen aangeeft en een stopcodon dat het einde
aangeeft;
2. Een gen voor een eiwit bestaat dus uit een reeks tripletten met aan het begin een startcodon
en aan het eind een stopcodon;
3. Wanneer een eiwit moet worden gevormd, wordt het gen, een stukje DNA, gekopieerd in de
vorm van mRNA. Dit kopiëren heet transcriptie. mRNA betekent 'messenger-RNA';
4. mRNA wordt in de kern gevormd en brengt de informatie buiten de kern;
5. Op een of meer ribosomen in het cytoplasma wordt de code vervolgens afgelezen en wordt
het eiwit gevormd: dit heet translatie;
6. Het ribosoom 'krijgt' de losse aminozuren vanuit het cytoplasma aangevoerd door tRNA, een
opgevouwen RNA dat aan de ene kant de juiste code draagt (het spiegelbeeld van dat in het
mRNA) en aan de andere kant het bijbehorende aminozuur kan binden. De aminozuren
moeten natuurlijk wel 'op voorraad' in het cytoplasma aanwezig zijn.
Enzymvorming wordt onder controle gehouden door regulatorgenen. Zo'n regulatorgen codeert
voor een repressor. Dat is een eiwit die zich hecht aan de operator. De operator is een stuk DNA, dat
zich bevindt tussen de promotor en het structuurgen. Zolang de repressor aan de operator vast zit,
kan RNA-polymerase niet koppelen aan het DNA en wordt er geen mRNA voor het desbetreffende
enzym gemaakt. Het gen komt dan niet tot expressie (/activator). Het totaal aan regulatorgenen die
de vorming van een bepaald eiwit reguleren wordt een operon genoemd.
Wanneer nucleosomen (meerdere klosjes histonen) stabiel zijn, kunnen ze niet afgelezen worden,
net zoals het geval is bij methylering.
Een gen bestaat uit introns (niet-coderend DNA) en exons (coderend DNA)(splicing).
Bij een te hoge temperatuur of een te hoge of te lage pH verandert de tertiaire structuur, waardoor
het enzym onwerkzaam wordt.