Auto-immuunziekten in de zwangerschap
(excl. schildklierstoornissen)
Schooljaar 2023-2024 VAR
Inhoud
Het immuunsysteem .............................................................................................. 1
Het immuunsysteem in de zwangerschap ............................................................... 3
Wat zijn auto-immuunziekten? ............................................................................. 3
Reumatoïde artritis (RA) ......................................................................................... 3
Reumatoïde artritis in de zwangerschap ................................................................. 4
Systemische lupus erythematodes (SLE) .................................................................. 5
Systemische lupus erythematodes in de zwangerschap ............................................ 5
Antifosfolipensyndroom (APS) ................................................................................. 6
Antifosfolipensyndroom in de zwangerschap ........................................................... 7
Fibromyalgie ......................................................................................................... 8
Fibryomyalgie in de zwangerschap ........................................................................ 9
Multiple sclerosis (MS) ..........................................................................................10
Multiple sclerosis in de zwangerschap ...................................................................10
Bronnen ..............................................................................................................12
Het immuunsysteem
Het immuunsysteem bestaat uit 2 delen:
❖ Het niet-specifieke (aangeboren) deel → Reageert onmiddellijk omdat de
daarvoor benodigde effectorcellen zoals fagocyten en eiwitten al aanwezig zijn. Dit
werkt direct na de geboorte en bestaat uit monocoyten, macfrofagen en NTC. Ook
fysieke barrieres.
❖ Het adaptieve/verworven specifieke deel → dit bestaat uit cellulaire (T-
lymfocyten) en het humorale deel (B-lymfocyten). Het ontwikkelt zich later, werkt
specifiek (tegen 1 antigeen) en is effectiever. Het werkt 5-7 dagen na het eerste
contact met een nieuw antigeen. Bij het volgende contact werkt het veel sneller.
1
, o Humorale immuniteit → door B-lymfocyten: deze hebben op hun oppervlak
de mogelijkheid een antigeen te binden via een antistof. Die B-lymfocyt kan
zichzelf kloneren en veranderen tot een plasmacel die ook antistoffen kan
uitscheiden. Er komen veel antistoffen in de circulatie. Er ontstaan ook
geheugencellen die in het lichaam blijven.
o Cellulaire immuniteit → door T-cellen: je hebt verschillende soorten zoals
geheugencellen, remmercellen, cytotoxische cellen en T-helpercellen. Ze
zorgen voor een cellulaire immuunrespons. T-lymfocyten spelen ook een rol bij
de afstoting van bijvoorbeeld organen (in de zwangerschap scheidt de
placenta factoren af die de afstoting van het kind onderdrukken).
Bij volwassenen ziet het immuunsysteem er zo uit:
En bij pasgeborene zo:
Lymfocyten bevinden zich in het lymfestelsel. Het lymfestelsel bestaat uit lymfeorganen:
❖ Tonsillen → beschermen tegen virussen en bacteriën bij de ingang van het spijsverteringsstelsel
❖ Thymus → is tijdens de jeugd verantwoordelijk voor de rijping van de T-cellen
❖ Milt → recycling en opslag Fe2+ na hemolyse, verwijderd afwijkende bloedcellen
❖ Appendix
Functies lymfestelsel:
❖ Produceren 3,5L per dag, onderhouden en transporteren lymfevocht
❖ Lymfocyten worden geproduceerd in het rode beenmerg
❖ Lymfocyten opslag in lymfoïde organen
❖ Lymfocyten reageren op: pathogenen, afwijkende lichaamscellen en vreemde eiwitten (antigenen)
❖ Terugkeer vloeistoffen & opgeloste delen uit perifeer weefsel
❖ Transport hormonen, voedingsstoffen en afvalstoffen
2