DOMEIN D: BINDING
Subdomein D1: sociale cohesie: mate van binding
Wederzijdse afhankelijkheden creëren bindingen. Ondanks verschillen zijn wij afhankelijk
van elkaar. 4 typen van sociale bindingen:
- Economische bindingen: op basis van de productie en distributie van schaarse
goederen, het gaat ook over het geld dat nodig is om deze goederen te verwerven.
- Politieke bindingen: op basis van collectieve goederen en politieke macht, kunnen
ook te maken hebben met dwang (belasting, parkeerboetes, etc.).
- Affectieve bindingen: op basis van positieve of negatieve gevoelens, het gaat ook
over bij een groep te willen horen.
- Cognitieve bindingen: op basis van kennisvorming en kennisoverdracht (mensen
leren tradities, vaardigheden en gedragsregels van elkaar).
Paradigma’s over binding:
- Functionalismeparadigma
o Belang van bindingen als functies die bijdragen aan het voortbestaan van de
samenleving.
o Sociale-cohesieprobleem: hoe kunnen we sociale cohesie verbeteren?
- Conflictparadigma
o Geringe mate van sociale cohesie zorgt voor conflicten.
o Sociale cohesie veronderstelt groepsvorming.
Belangrijk aspect groepsvorming: wie wel en niet bij de groep
behoort. Dit kan duiden op sociale uitsluiting conflicten.
o Latente en manifeste conflicten geven inzicht in (afwezige) vormen van
sociale en politieke cohesie.
Latente conflicten: blijven onder de oppervlakte
Manifeste conflicten: zijn goed zichtbaar (bijv. d.m.v. protesten)
- Sociaalconstructivismeparadigma
o Vragen zich af hoe bindingen worden ervaren:
Objectieve indicatoren van sociale cohesie.
Subjectieve indicatoren: opvattingen en gevoelens van de actoren.
o Nadruk: identiteit en identificaties.
o Meervoudige identiteit: bij verschillende groepen gedraag je je anders.
- Rationele actorparadigma
o Bindingen zijn ruilrelaties: je gaat bindingen aan met mensen omdat je iets
van hen nodig hebt.
Groepsvorming zorgt voor:
- Insluiting: wie hoort er wel bij?
- Uitsluiting: wie hoort er niet bij?
- Sociale controle: afwijkend gedrag van leden verminderen en uittreding voorkomen.
Is er een hoge mate van cohesie in de groep dan zullen leden geneigd zijn zich aan te passen
aan de regels en gewoontes van de groep.
5 fasen van groepsvorming (niet altijd in deze volgorde):
21
, - Oriëntatiefase: onzekerheid over de manier van omgaan met elkaar.
- Conflictfase: verschillen in opvattingen worden duidelijk conflict (hoe om te gaan
met tegenstellingen?).
- Integratiefase: gedeelde normen en waarden worden duidelijk betere
samenwerking.
- Uitvoeringsfase: de samenwerking verloopt goed en doelgericht.
- Ordefase: de groepssamenwerking wordt nog verder geordend door nieuwe regels
en afspraken institutionalisering van groepssamenwerking.
Onderscheid maken tussen:
- Formeel en informeel
o Formele groepen: met vastgestelde normen, doelen en regels of hiërarchie
(bv. een afdeling/team bij het werk).
o Informele groepen: zonder omschreven doelen, normen en regels of
hiërarchie, rollen zijn flexibel (bv. vriendengroep).
- Primaire en secundair
o Primaire groepen: hebben een emotionele band en steunen elkaar (kleine tot
gemiddelde grootte, familie- en vriendengroepen). Van belang bij socialisatie
op micro- en mesoniveau.
o Secundaire groepen: groepen die doelgericht, onpersoonlijk en functioneel
georiënteerd zijn (gemiddelde tot grote omvang, politieke partijen). Van
belang voor socialisatie op macroniveau en sociale controle.
- Ingroup en outgroup
o Ingroup: groep die een persoon sociale binding en identiteit geeft.
o Outgroup: groep waar een persoon afwijzend tegenover staat of
competitieve gevoelens mee heeft.
o Leden van de ingroup hebben vaak een positief beeld van zichzelf en een
negatief beeld van de outgroup.
Weg uit de groep:
- Er niet meer bij willen horen: dropping out/opting out.
- Er niet meer bij mogen horen: uitsluiting/discriminatie.
- Er niet meer bij kunnen horen: bv. door armoede/werkloosheid.
Politieke groepsvorming:
- Door vorming van politieke partijen of burgerinitiatieven.
- Ontstaan door gedeelde belangen en meningen.
- Informele groep die zich ontwikkelt tot formele groep.
Factoren die sociale cohesie bevorderen:
- Wederzijdse afhankelijkheid of eigenbelang;
- Dwang of macht;
- Gedeelde normen en waarde, saamhorigheidsbesef.
Sterke cohesie binnen groepen kan leiden tot conflicten tussen groepen, waardoor de
algehele cohesie verzwakt. Omgekeerd kan het ook: zwakke cohesie binnen groepen
sterke cohesie tussen groepen sterkere algehele cohesie.
22
Subdomein D1: sociale cohesie: mate van binding
Wederzijdse afhankelijkheden creëren bindingen. Ondanks verschillen zijn wij afhankelijk
van elkaar. 4 typen van sociale bindingen:
- Economische bindingen: op basis van de productie en distributie van schaarse
goederen, het gaat ook over het geld dat nodig is om deze goederen te verwerven.
- Politieke bindingen: op basis van collectieve goederen en politieke macht, kunnen
ook te maken hebben met dwang (belasting, parkeerboetes, etc.).
- Affectieve bindingen: op basis van positieve of negatieve gevoelens, het gaat ook
over bij een groep te willen horen.
- Cognitieve bindingen: op basis van kennisvorming en kennisoverdracht (mensen
leren tradities, vaardigheden en gedragsregels van elkaar).
Paradigma’s over binding:
- Functionalismeparadigma
o Belang van bindingen als functies die bijdragen aan het voortbestaan van de
samenleving.
o Sociale-cohesieprobleem: hoe kunnen we sociale cohesie verbeteren?
- Conflictparadigma
o Geringe mate van sociale cohesie zorgt voor conflicten.
o Sociale cohesie veronderstelt groepsvorming.
Belangrijk aspect groepsvorming: wie wel en niet bij de groep
behoort. Dit kan duiden op sociale uitsluiting conflicten.
o Latente en manifeste conflicten geven inzicht in (afwezige) vormen van
sociale en politieke cohesie.
Latente conflicten: blijven onder de oppervlakte
Manifeste conflicten: zijn goed zichtbaar (bijv. d.m.v. protesten)
- Sociaalconstructivismeparadigma
o Vragen zich af hoe bindingen worden ervaren:
Objectieve indicatoren van sociale cohesie.
Subjectieve indicatoren: opvattingen en gevoelens van de actoren.
o Nadruk: identiteit en identificaties.
o Meervoudige identiteit: bij verschillende groepen gedraag je je anders.
- Rationele actorparadigma
o Bindingen zijn ruilrelaties: je gaat bindingen aan met mensen omdat je iets
van hen nodig hebt.
Groepsvorming zorgt voor:
- Insluiting: wie hoort er wel bij?
- Uitsluiting: wie hoort er niet bij?
- Sociale controle: afwijkend gedrag van leden verminderen en uittreding voorkomen.
Is er een hoge mate van cohesie in de groep dan zullen leden geneigd zijn zich aan te passen
aan de regels en gewoontes van de groep.
5 fasen van groepsvorming (niet altijd in deze volgorde):
21
, - Oriëntatiefase: onzekerheid over de manier van omgaan met elkaar.
- Conflictfase: verschillen in opvattingen worden duidelijk conflict (hoe om te gaan
met tegenstellingen?).
- Integratiefase: gedeelde normen en waarden worden duidelijk betere
samenwerking.
- Uitvoeringsfase: de samenwerking verloopt goed en doelgericht.
- Ordefase: de groepssamenwerking wordt nog verder geordend door nieuwe regels
en afspraken institutionalisering van groepssamenwerking.
Onderscheid maken tussen:
- Formeel en informeel
o Formele groepen: met vastgestelde normen, doelen en regels of hiërarchie
(bv. een afdeling/team bij het werk).
o Informele groepen: zonder omschreven doelen, normen en regels of
hiërarchie, rollen zijn flexibel (bv. vriendengroep).
- Primaire en secundair
o Primaire groepen: hebben een emotionele band en steunen elkaar (kleine tot
gemiddelde grootte, familie- en vriendengroepen). Van belang bij socialisatie
op micro- en mesoniveau.
o Secundaire groepen: groepen die doelgericht, onpersoonlijk en functioneel
georiënteerd zijn (gemiddelde tot grote omvang, politieke partijen). Van
belang voor socialisatie op macroniveau en sociale controle.
- Ingroup en outgroup
o Ingroup: groep die een persoon sociale binding en identiteit geeft.
o Outgroup: groep waar een persoon afwijzend tegenover staat of
competitieve gevoelens mee heeft.
o Leden van de ingroup hebben vaak een positief beeld van zichzelf en een
negatief beeld van de outgroup.
Weg uit de groep:
- Er niet meer bij willen horen: dropping out/opting out.
- Er niet meer bij mogen horen: uitsluiting/discriminatie.
- Er niet meer bij kunnen horen: bv. door armoede/werkloosheid.
Politieke groepsvorming:
- Door vorming van politieke partijen of burgerinitiatieven.
- Ontstaan door gedeelde belangen en meningen.
- Informele groep die zich ontwikkelt tot formele groep.
Factoren die sociale cohesie bevorderen:
- Wederzijdse afhankelijkheid of eigenbelang;
- Dwang of macht;
- Gedeelde normen en waarde, saamhorigheidsbesef.
Sterke cohesie binnen groepen kan leiden tot conflicten tussen groepen, waardoor de
algehele cohesie verzwakt. Omgekeerd kan het ook: zwakke cohesie binnen groepen
sterke cohesie tussen groepen sterkere algehele cohesie.
22