Samenvatting psychologie
Hoorcollege 1
Hoofdstuk 1
Psychologie = de wetenschappelijke studie van gedrag en geest.
- Gedrag = actes en reactes die we kunnen observeren
- Geest = interne processen (gedachten en gevoelens) die niet direct kunnen worden
geïnterpreteerd door meetbare reactes.
Doel: het beschrijven, begrijpen, voorspellen en beïnvloeden van gedrag en welzijn van de mensheid
vergroten.
Wetenschap bevat 2 soorten onderzoek:
1. Basis onderzoek = weerspiegelt de zoektocht naar kennis voor eigen bestwil
2. Toegepast onderzoek = ontworpen voor het oplossen van specifeke, praktsche problemen
Om psychologie te begrijpen moet er gewerkt worden met niveaus van analyse:
- Biologisch niveau hersenprocessen en genetsche invloeden
o Bv heb je honger of zit je vol?
- Psychologisch niveau gedachten, gevoelens en moteven
o Bv waarom eet je?
- Omgevingsniveau normen en waarden populate
o Bv wat ruik je (versbrood)/streekproducten
Nature-nurture connecte = is ons gedrag bepaald door natuur of door de omgeving en geschiedenis
dit gaat samen, genetca speelt een rol, maar ontwikkeling ook.
Lichaam-geest dualisme = geest is een spiritueel wezen en geen onderdeel van fysieke weten die
het lichaam beheersen. (Descartes)
Monisme = geest en lichaam zijn één (Thomas Hobbes)
Empirisme = alle ideeën en kennis worden empirisch verkregen, door de zintuigen. (Locke)
Grondleggers
- William Wundt structuralisme = analyseren van de geest in termen van basiselementen.
o Bv delen van de arm bestuderen voor geheel te bepalen
- William James functonalisme = psychologie moet de functes van bewustzijn bestuderen
ipv zijn structuur
o Waarom heef iemand armen en wat is het nut ervan?
Functonalisme vind je nog terug in cogniteve psychologie en evolutonaire psychologie.
- Psychodynamisch perspectef = zoekt naar de oorzaken van gedrag in de werking van onze
persoonlijkheid, nadruk op de rol van onbewuste processen
- Gestalt Psychologie: organisate onderzoekt hoe elementen van ervaringen worden
georganiseerd in gehelen.
- Psychoanalyse = de analyse van interne en vooral onbewuste psychologische krachten
(Freud).
o Beschermingsmechanisme = psychologische techniek die helpt bij het omgaan met
angst en de pijn van traumatsche gebeurtenissen.
- Object-relate theorie = focus op hoe vroege ervaringen met verzorgers de blik bepaalt hoe
je naar jezelf en naar anderen kijkt.
- Behaviorisme = onderzoek naar gedrag en niets anders.
- Cognitef behaviorisme = leerervaring en omgeving beïnvloeden onze verwachtngen en
bedenkingen en andersom beïnvloed onze gedachten ons gedrag.
,Bv: gedumpt na daten romance voor altjd verpest geen mensen meer uitvragen of zelfs
vrienden maken discussie met vrienden/familie gedrag aanpassen
- Humanistsch perspectef = benadrukt vrije wil, persoonlijke groei en de poging om
betekenis te vinden in iemands bestaan
- Cogniteve psychologie = focust op de studie van mentale processen
o Hoe kennis is geordend in ons hoofd
o Brein = hardware
o Mentale processen = sofware
o Bv woordherkenning het begint met het zien van een leter, die je als streepjes
ziet die een leter vormen, meerdere leters vormen een woord
- Cogniteve neuroeetenschappen = gebruikt geavanceerde elektrische opnames om de
hersenen te onderzoeken op actviteit terwijl mensen cogniteve taken uitvoeren.
- Sociaal constructvisme = wat we als realiteit beschouwen komt door onze eigen create
- Humanistsche psychologie = benadrukt vrije wil, persoonlijke groei en betekenis vinden in
iemands bestaan.
Sociaal-cultureel perspectef = onderzoekt hoe de sociale omgeving en cultuur ons gedrag,
gedachten en gevoelens beïnvloeden. Cultuur = langdurige waarden, overtuigingen en tradites die
zijn gedeeld door een grote groep mensen en worden overgedragen op de volgende generates
(socialisate). Elke cultuur heef zijn eigen normen en waarden. De normen zijn ongeschreven regels
die specifceren welk gedrag acceptabel is en wat er verwacht wordt voor leden van deze groep.
Individualisme = de nadruk op persoonlijke doelen en zelfdentteit Europa
Collectvisme = individuele doelen zijn ondergeschikt aan die van de groep Azië/Afrika
Biologisch perspectef = onderzoekt hoe het brein en andere lichaamsfunctes gedrag reguleren
gedragsneuroeetenschappen. Hierbij zijn neurotransmiters ontdekt door Hebb.
Natuurlijke selecte = leden krijgen een bepaald voordeel door een bepaalde erfelijke eigenschap, zij
zullen een grotere kans hebben op overleven, en zullen deze doorgeven aan nakomelingen.
Historisch komt psychologie uit de geesteswetenschappen (taal/cultuur/flosofe), maar het bestaat
tegenwoordig ook uit natuurwetenschappen (natuurkunde/scheikunde/biologie).
Voorbeeld van niveaus van analyse met depressie.
Biologisch biologische aanleg, ouders ook depressief vroeger dan kinderen meer kans of een
bepaald neurotransmiter werkt minder goed.
Psychologisch persoon interpreteert dingen pessimistsch, geven zichzelf de schuld voor slechte
dingen, komt vaak door trauma/afwijzing/misbruik in kindertjd.
Omgeving sombere omgeving, stoppen met dingen die ze leuk vinden. Klagen over hulp van
anderen, waardoor deze niet meer willen helpen en het erger wordt.
Hoofdstuk 2
Wetenschappelijke cyclus
1. Waarneming Waarom? Nieuwsgierigheid
2. Verzamelen van informate en hypothese vormen
3. Testen van de hypothese (research)
4. Analyseren van data
5. Trek voorlopige conclusie en rapporteer bevindingen
6. Verder onderzoek en theorievorming
7. Ontwikkel nieuwe hypotheses uit de theorie
,Er zijn 2 manieren waarop gedrag begrepen kan worden
- Achteraf gezien begrijpen (handsight), verklaren nadat iets is gebeurd
- Begrijpen door voorspellen, controleren en theorie opbouwen. Een goede theorie bevat
kennis in een breed kader, is testbaar, voorspelling hoort bij bevindingen en als 2 theorieën
hetzelfde zeggen, kiest men de simpele.
Een variabele is een karakteristek of factor die kan veranderen. Psychologen bestuderen deze
variabelen en hun relates. Een variabele kent meerdere defnites hebben, daarom is er een
operatonele defnite die de variabele omschrijf in termen van specifeke procedures.
De variabelen kunnen gemeten worden door
- Zelf rapportage of rapportage door anderen
- Observeren van gedrag
- Psychologische test
- Fysiologische test
Ethische aspecten zijn belangrijk bij onderzoek, je mag niet zomaar onderzoek uitvoeren. De
principes die gehanteerd worden zijn: competente, verantwoordelijkheid, integriteit en respect. Je
licht de deelnemers altjd van tevoren in over het doel, de potentële voordelen, de risico’s, hun
rechten en privacy.
Er zijn verschillende manieren van onderzoek
Beschrijvend onderzoek = kijken ho mensen en dieren zich gedragen, voornamelijk in natuurlijke
omgeving.
- Case study = diepgaande analyse van één individu
o Nadeel weinig aantallen, dus erg beperk in practca metngen
- Natuurlijke observate = observeren van gedrag zoals het is in natuurlijke setng
o Je mag de deelnemers niet beïnvloeden
o Habituate = het gewend raken aan de observeerder en deze later negeren
- Survey-onderzoek = informate over een onderwerp is verkregen door veel administrateve
vragen of interviews. Hiermee onderzoek je een sample ipv een populate. Voor een goede
conclusie moet je een representateve sample gebruiken
o Populate = alle individuen waarin we geïnteresseerd zijn
o Sample = een deel van de individuen uit een grotere populate
o Representateve sample = reflecteert de belangrijke karakteristeken van de
populate
Literatuuronderzoek = boeken/artkelen lezen over het onderwerp
Correlatoneel onderzoek = meten van associates tussen gebeurtenissen
- Onderzoeker meet twee variabelen en bepaalt of er een relate is tussen deze variabelen.
- Bidirectoneel probleem X beïnvloed Y of Y beïnvloed X
- Derde variabele probleem Z beïnvloed zowel X als Y
- Correlate coëfciënt = statstsch gegeven dat de richtng en kracht identfceert tussen 2
variabelen.
o Positeve correlate = hoge scores van de een, leveren hoge op van de ander
o Negateve correlate = hoge score van de een, leveren lage op van de ander
- Kan vaak leiden tot misverstanden
Experimenteel onderzoek = methode voor het onderzoeken van oorzaak-gevolg relates
- Onafhankelijke variabele = de variabele die gemanipuleerd word
- Afhankelijke variabele = variabele die gemeten word en beïnvloed wordt door de
onafhankelijke variabele
, - Het onderzoek bestaat uit een controlegroep en experimentele groep. Deze groepen
worden meestal random ingedeeld, waarbij je een even grote kans hebt om in een van beide
groepen te komen.
- Er wordt gebruik gemaakt van counterbalancing = een procedure waarin de volgorde van
condites gevarieerd is, waardoor er geen voordeel kan ontstaan.
Kealitatef onderzoek is interpretatef en subjectef, het gaat niet op feiten en cijfers, maar om de
waarom en hoe vraag.
Soms wordt er ook een mix van methoden gebruikt om de belangrijke aspecten van elke methode
mee te nemen.
Psychologisch onderzoek is meest volledig en betrouwbaar, bijvoorbeeld hormoon efect op
rijgedrag. Oorzaak en efect uit elkaar houden als je dit goed doet krijg je een theorie.
Eisen aan een goed onderzoek
- Goede operatonele defnite (hoe maak je een abstract begrip meetbaar)
- Hoge interne validiteit = mate waarin een experiment duidelijke oorzakelijke conclusies
ondersteunt, goede instructes, genoeg proefpersonen
o Geen confounders = niet te bepalen welke variabele de afhankelijke variabele heef
beïnvloed
o Geen placebo-effect = mensen laten een verschil in gedrag zien omdat ze deze
verwachten, niet door de daadwerkelijke behandeling gebruik double blind
onderzoek
- Hoge externe validiteit = mate waarin de resultaten van en onderzoek ook gelden voor
andere populates
o Reproduceerbaarheid = herhalen van experiment om te kijken of dezelfde
uitkomsten gehaald kunnen worden
o Generaliseerbaarheid naar andere situates
- Gebruik statstek: garbage in garbage out.
- Ethische aspecten
Statstek
- Mode = meest voorkomende score
- Mediaan = middelste getal in serie van laag naar hoog
- Mean = gemiddelde van alle scores
- Range = verschil tussen hoogste een laagste score
- Standaard deviate = verschil tussen de score en het gemiddelde
- Interferente statstek = conclusie trekken aan de hand van samples
- Statstsche signifcate = het is onwaarschijnlijk dat bevindingen alleen door toeval is
ontstaan
- Meta-analyse = onderzoek waarin resultaten van meerder studies worden samengenomen
Werkcollege 1
Artkel Zadra & Proft – optc foe is calibrated to ealking effort
Lopen veroorzaakt: optc flow, wat bestaat uit omgeving specifeke veranderingen in visuele hoeken
en tjdens lopen ontdekken mensen de relate van grootes van optc flow die worden geproduceerd
tjdens verschillende loopgrootes. Verschillende studies hebben relate tussen lopen en visuele
informate daarbij onderzocht
- Lopen op een loopband met blinddoek om veroorzaakt een drif voor/achterwaarts
- Proefpersonen rekalibreerden (herijking) dat draaien in de richtng van de cirkel tjdens
lopen nodig is om op hun plaats te blijven
Twee experimenten: loopbandsnelheden waren hetzelfde in beide condites, energie varieerde door
helling van loopband aan te passen
Hoorcollege 1
Hoofdstuk 1
Psychologie = de wetenschappelijke studie van gedrag en geest.
- Gedrag = actes en reactes die we kunnen observeren
- Geest = interne processen (gedachten en gevoelens) die niet direct kunnen worden
geïnterpreteerd door meetbare reactes.
Doel: het beschrijven, begrijpen, voorspellen en beïnvloeden van gedrag en welzijn van de mensheid
vergroten.
Wetenschap bevat 2 soorten onderzoek:
1. Basis onderzoek = weerspiegelt de zoektocht naar kennis voor eigen bestwil
2. Toegepast onderzoek = ontworpen voor het oplossen van specifeke, praktsche problemen
Om psychologie te begrijpen moet er gewerkt worden met niveaus van analyse:
- Biologisch niveau hersenprocessen en genetsche invloeden
o Bv heb je honger of zit je vol?
- Psychologisch niveau gedachten, gevoelens en moteven
o Bv waarom eet je?
- Omgevingsniveau normen en waarden populate
o Bv wat ruik je (versbrood)/streekproducten
Nature-nurture connecte = is ons gedrag bepaald door natuur of door de omgeving en geschiedenis
dit gaat samen, genetca speelt een rol, maar ontwikkeling ook.
Lichaam-geest dualisme = geest is een spiritueel wezen en geen onderdeel van fysieke weten die
het lichaam beheersen. (Descartes)
Monisme = geest en lichaam zijn één (Thomas Hobbes)
Empirisme = alle ideeën en kennis worden empirisch verkregen, door de zintuigen. (Locke)
Grondleggers
- William Wundt structuralisme = analyseren van de geest in termen van basiselementen.
o Bv delen van de arm bestuderen voor geheel te bepalen
- William James functonalisme = psychologie moet de functes van bewustzijn bestuderen
ipv zijn structuur
o Waarom heef iemand armen en wat is het nut ervan?
Functonalisme vind je nog terug in cogniteve psychologie en evolutonaire psychologie.
- Psychodynamisch perspectef = zoekt naar de oorzaken van gedrag in de werking van onze
persoonlijkheid, nadruk op de rol van onbewuste processen
- Gestalt Psychologie: organisate onderzoekt hoe elementen van ervaringen worden
georganiseerd in gehelen.
- Psychoanalyse = de analyse van interne en vooral onbewuste psychologische krachten
(Freud).
o Beschermingsmechanisme = psychologische techniek die helpt bij het omgaan met
angst en de pijn van traumatsche gebeurtenissen.
- Object-relate theorie = focus op hoe vroege ervaringen met verzorgers de blik bepaalt hoe
je naar jezelf en naar anderen kijkt.
- Behaviorisme = onderzoek naar gedrag en niets anders.
- Cognitef behaviorisme = leerervaring en omgeving beïnvloeden onze verwachtngen en
bedenkingen en andersom beïnvloed onze gedachten ons gedrag.
,Bv: gedumpt na daten romance voor altjd verpest geen mensen meer uitvragen of zelfs
vrienden maken discussie met vrienden/familie gedrag aanpassen
- Humanistsch perspectef = benadrukt vrije wil, persoonlijke groei en de poging om
betekenis te vinden in iemands bestaan
- Cogniteve psychologie = focust op de studie van mentale processen
o Hoe kennis is geordend in ons hoofd
o Brein = hardware
o Mentale processen = sofware
o Bv woordherkenning het begint met het zien van een leter, die je als streepjes
ziet die een leter vormen, meerdere leters vormen een woord
- Cogniteve neuroeetenschappen = gebruikt geavanceerde elektrische opnames om de
hersenen te onderzoeken op actviteit terwijl mensen cogniteve taken uitvoeren.
- Sociaal constructvisme = wat we als realiteit beschouwen komt door onze eigen create
- Humanistsche psychologie = benadrukt vrije wil, persoonlijke groei en betekenis vinden in
iemands bestaan.
Sociaal-cultureel perspectef = onderzoekt hoe de sociale omgeving en cultuur ons gedrag,
gedachten en gevoelens beïnvloeden. Cultuur = langdurige waarden, overtuigingen en tradites die
zijn gedeeld door een grote groep mensen en worden overgedragen op de volgende generates
(socialisate). Elke cultuur heef zijn eigen normen en waarden. De normen zijn ongeschreven regels
die specifceren welk gedrag acceptabel is en wat er verwacht wordt voor leden van deze groep.
Individualisme = de nadruk op persoonlijke doelen en zelfdentteit Europa
Collectvisme = individuele doelen zijn ondergeschikt aan die van de groep Azië/Afrika
Biologisch perspectef = onderzoekt hoe het brein en andere lichaamsfunctes gedrag reguleren
gedragsneuroeetenschappen. Hierbij zijn neurotransmiters ontdekt door Hebb.
Natuurlijke selecte = leden krijgen een bepaald voordeel door een bepaalde erfelijke eigenschap, zij
zullen een grotere kans hebben op overleven, en zullen deze doorgeven aan nakomelingen.
Historisch komt psychologie uit de geesteswetenschappen (taal/cultuur/flosofe), maar het bestaat
tegenwoordig ook uit natuurwetenschappen (natuurkunde/scheikunde/biologie).
Voorbeeld van niveaus van analyse met depressie.
Biologisch biologische aanleg, ouders ook depressief vroeger dan kinderen meer kans of een
bepaald neurotransmiter werkt minder goed.
Psychologisch persoon interpreteert dingen pessimistsch, geven zichzelf de schuld voor slechte
dingen, komt vaak door trauma/afwijzing/misbruik in kindertjd.
Omgeving sombere omgeving, stoppen met dingen die ze leuk vinden. Klagen over hulp van
anderen, waardoor deze niet meer willen helpen en het erger wordt.
Hoofdstuk 2
Wetenschappelijke cyclus
1. Waarneming Waarom? Nieuwsgierigheid
2. Verzamelen van informate en hypothese vormen
3. Testen van de hypothese (research)
4. Analyseren van data
5. Trek voorlopige conclusie en rapporteer bevindingen
6. Verder onderzoek en theorievorming
7. Ontwikkel nieuwe hypotheses uit de theorie
,Er zijn 2 manieren waarop gedrag begrepen kan worden
- Achteraf gezien begrijpen (handsight), verklaren nadat iets is gebeurd
- Begrijpen door voorspellen, controleren en theorie opbouwen. Een goede theorie bevat
kennis in een breed kader, is testbaar, voorspelling hoort bij bevindingen en als 2 theorieën
hetzelfde zeggen, kiest men de simpele.
Een variabele is een karakteristek of factor die kan veranderen. Psychologen bestuderen deze
variabelen en hun relates. Een variabele kent meerdere defnites hebben, daarom is er een
operatonele defnite die de variabele omschrijf in termen van specifeke procedures.
De variabelen kunnen gemeten worden door
- Zelf rapportage of rapportage door anderen
- Observeren van gedrag
- Psychologische test
- Fysiologische test
Ethische aspecten zijn belangrijk bij onderzoek, je mag niet zomaar onderzoek uitvoeren. De
principes die gehanteerd worden zijn: competente, verantwoordelijkheid, integriteit en respect. Je
licht de deelnemers altjd van tevoren in over het doel, de potentële voordelen, de risico’s, hun
rechten en privacy.
Er zijn verschillende manieren van onderzoek
Beschrijvend onderzoek = kijken ho mensen en dieren zich gedragen, voornamelijk in natuurlijke
omgeving.
- Case study = diepgaande analyse van één individu
o Nadeel weinig aantallen, dus erg beperk in practca metngen
- Natuurlijke observate = observeren van gedrag zoals het is in natuurlijke setng
o Je mag de deelnemers niet beïnvloeden
o Habituate = het gewend raken aan de observeerder en deze later negeren
- Survey-onderzoek = informate over een onderwerp is verkregen door veel administrateve
vragen of interviews. Hiermee onderzoek je een sample ipv een populate. Voor een goede
conclusie moet je een representateve sample gebruiken
o Populate = alle individuen waarin we geïnteresseerd zijn
o Sample = een deel van de individuen uit een grotere populate
o Representateve sample = reflecteert de belangrijke karakteristeken van de
populate
Literatuuronderzoek = boeken/artkelen lezen over het onderwerp
Correlatoneel onderzoek = meten van associates tussen gebeurtenissen
- Onderzoeker meet twee variabelen en bepaalt of er een relate is tussen deze variabelen.
- Bidirectoneel probleem X beïnvloed Y of Y beïnvloed X
- Derde variabele probleem Z beïnvloed zowel X als Y
- Correlate coëfciënt = statstsch gegeven dat de richtng en kracht identfceert tussen 2
variabelen.
o Positeve correlate = hoge scores van de een, leveren hoge op van de ander
o Negateve correlate = hoge score van de een, leveren lage op van de ander
- Kan vaak leiden tot misverstanden
Experimenteel onderzoek = methode voor het onderzoeken van oorzaak-gevolg relates
- Onafhankelijke variabele = de variabele die gemanipuleerd word
- Afhankelijke variabele = variabele die gemeten word en beïnvloed wordt door de
onafhankelijke variabele
, - Het onderzoek bestaat uit een controlegroep en experimentele groep. Deze groepen
worden meestal random ingedeeld, waarbij je een even grote kans hebt om in een van beide
groepen te komen.
- Er wordt gebruik gemaakt van counterbalancing = een procedure waarin de volgorde van
condites gevarieerd is, waardoor er geen voordeel kan ontstaan.
Kealitatef onderzoek is interpretatef en subjectef, het gaat niet op feiten en cijfers, maar om de
waarom en hoe vraag.
Soms wordt er ook een mix van methoden gebruikt om de belangrijke aspecten van elke methode
mee te nemen.
Psychologisch onderzoek is meest volledig en betrouwbaar, bijvoorbeeld hormoon efect op
rijgedrag. Oorzaak en efect uit elkaar houden als je dit goed doet krijg je een theorie.
Eisen aan een goed onderzoek
- Goede operatonele defnite (hoe maak je een abstract begrip meetbaar)
- Hoge interne validiteit = mate waarin een experiment duidelijke oorzakelijke conclusies
ondersteunt, goede instructes, genoeg proefpersonen
o Geen confounders = niet te bepalen welke variabele de afhankelijke variabele heef
beïnvloed
o Geen placebo-effect = mensen laten een verschil in gedrag zien omdat ze deze
verwachten, niet door de daadwerkelijke behandeling gebruik double blind
onderzoek
- Hoge externe validiteit = mate waarin de resultaten van en onderzoek ook gelden voor
andere populates
o Reproduceerbaarheid = herhalen van experiment om te kijken of dezelfde
uitkomsten gehaald kunnen worden
o Generaliseerbaarheid naar andere situates
- Gebruik statstek: garbage in garbage out.
- Ethische aspecten
Statstek
- Mode = meest voorkomende score
- Mediaan = middelste getal in serie van laag naar hoog
- Mean = gemiddelde van alle scores
- Range = verschil tussen hoogste een laagste score
- Standaard deviate = verschil tussen de score en het gemiddelde
- Interferente statstek = conclusie trekken aan de hand van samples
- Statstsche signifcate = het is onwaarschijnlijk dat bevindingen alleen door toeval is
ontstaan
- Meta-analyse = onderzoek waarin resultaten van meerder studies worden samengenomen
Werkcollege 1
Artkel Zadra & Proft – optc foe is calibrated to ealking effort
Lopen veroorzaakt: optc flow, wat bestaat uit omgeving specifeke veranderingen in visuele hoeken
en tjdens lopen ontdekken mensen de relate van grootes van optc flow die worden geproduceerd
tjdens verschillende loopgrootes. Verschillende studies hebben relate tussen lopen en visuele
informate daarbij onderzocht
- Lopen op een loopband met blinddoek om veroorzaakt een drif voor/achterwaarts
- Proefpersonen rekalibreerden (herijking) dat draaien in de richtng van de cirkel tjdens
lopen nodig is om op hun plaats te blijven
Twee experimenten: loopbandsnelheden waren hetzelfde in beide condites, energie varieerde door
helling van loopband aan te passen