Student: Alishya Heere Klas: OOM1D Studentnummer: 109256
Casuïstiek nr. 10
Hulpvraag:
Citeer de hulpvraag uit de casus.
Frits van 45 heeft lange tijd professioneel voetbal gespeeld. Sinds een jaar weet hij dat
hij artrose in zijn knie heeft. Hij wordt begeleid door een fysiotherapeut. Zijn hulpvraag
is: “Ik wil zo goed mogelijk kunnen blijven joggen, tuinieren en spelen met mijn
kinderen:”.
Stap 1:
A: Beschrijf de stoornissen en beperkingen in activiteiten/participatie beperkingen
die je verwacht bij je casus. Gebruik hiervoor het ICF-model.
B: Benoem de ICF-domeinen die gerelateerd zijn aan de hulpvraag.
Figuur 1 - ICF-model Artrose in het kniegewricht.
Bron: Nederland WHO-FIC Collaborating Centre(2002).
,Stap 2:
Benoem het doel van je metingen: diagnostisch/prognostisch/evaluatief en
verantwoord dit.
Het doel van de metingen is zowel diagnostisch als evaluatief. Het doel van de
metingen is om een indruk te krijgen van de mate van pijn en het functioneren van
de patiënt en deze indicatoren in een later stadium te evalueren. Het doel van het
diagnostische proces is inventarisatie van de gezondheidsproblemen die
samenhangen met artrose van de knie. Uitgangspunt is de hulpvraag van de patiënt
die graag zo goed mogelijk wil blijven joggen, tuinieren en spelen met zijn kinderen.
Het is ook belangrijk om inzicht te krijgen in welke bevorderende en belemmerende
factoren de behandeling mogelijk beïnvloeden.
Stap 3:
Benoem het soort meetinstrument dat je kiest en verantwoord dit op basis van de
huidige status van de patiënt uit de casus
Er zijn verschillende meetinstrumenten die ter ondersteuning dienen van het
diagnostisch proces bij artrose in de knie. Zo kan de Numeric Pain Rating Scale (NPRS)
gebruikt worden om een indruk te krijgen van de mate van pijn per week. Het is
belangrijk om te weten bij welke activiteiten en bewegingen de patiënt pijn ervaart
om door middel van de behandeling te proberen om de mate van pijn te reduceren.
De NPRS is toepasbaar op diverse soorten patiëntgroepen (ZUYD, 2013).
Om inzicht te krijgen in het functioneren van het kniegewricht kan gebruik worden
gemaakt van de Knee Injury and Ostheoarthritis Outcome Score (KOOS) of de Patiënt
Specifieke Klachten (PSK). Deze testen passen bij de patiënt, omdat deze testen een
goed beeld geven van het functioneren van het kniegewricht. De KOOS is namelijk
een vragenlijst voor het evalueren van symptomen en beperkingen van patiënten
met letsel aan het kniegewricht met een jonge en middelbare leeftijd. Ook omvat de
vragenlijst 42 items, waaronder functioneren in het dagelijks leven, in de vrije tijd en
tijdens sport. Dit zijn de voornaamste functies die de patiënt wil verbeteren (ZUYD,
2017). De PSK wordt met name gebruik bij patiënten met lichamelijke klachten die
invloed hebben op de dagelijkse activiteiten en bewegingen. De PSK gaat specifiek
in op drie tot vijf klachten op het gebied van activiteiten. Deze activiteiten moeten
relevant zijn, de patiënt moet hinder ondervinden bij de uitvoering en de uitvoering
moet regelmatig plaatsvinden (ZUYD, 2014).
De NRS en de PSK kunnen ook gebruikt worden ter evaluatie. Om externe en
persoonlijke factoren in kaart te brengen, bestaan geen voldoende betrouwbare en
valide meetinstrumenten met betrekking tot artrose in de knie (KNGF, 2018).
Er zijn ook twee optionele meetinstrumenten die bij de patiënt gebruikt kunnen
worden ter ondersteuning van het diagnostisch proces of ter evaluatie, namelijk de
Cumulative Illness Rating Scale (CIRS) en de 1RM submaximaaltest. De CIRS is een
instrument de aanwezigheid van comorbiditeiten te inventariseren. Er wordt gekeken
welke aandoeningen de patiënt nog meer heeft en wat de ernst ervan is (ZUYD, 2014).
De 1RM submaximaaltest wordt gebruikt om een krachtoefenprogramma op te
stellen. 1RM is de belasting waarmee de patiënt net een keer een beweging kan
uitvoeren. Met behulp van de 1RM wordt de trainingsintensiteit bepaald (ZUYD, 2011).
, Stap 4:
Geef een directe hyperlink naar het gekozen meetinstrument.
NPRS: https://meetinstrumentenzorg.blob.core.windows.net/test-
documents/Instrument40/NPRS%20meetinstr.pdf.
KOOS: https://meetinstrumentenzorg.blob.core.windows.net/test-
documents/Instrument362/KOOS%20meetinstr.pdf.
PSK: https://meetinstrumentenzorg.blob.core.windows.net/test-
documents/Instrument206/PSK%20meetinstr.pdf.
Of:
https://meetinstrumentenzorg.blob.core.windows.net/documents/Instrument206/PSK
%20meetinstr%20digitaal.pdf.
CIRS: https://meetinstrumentenzorg.blob.core.windows.net/test-
documents/Instrument493/CIRS%20meetinstr.pdf.
1RM: https://meetinstrumentenzorg.blob.core.windows.net/test-
documents/Instrument261/1RM-submax%20test%20meetinstr.pdf.
Stap 5:
Licht de hanteerbaarheid van het meetinstrument toe m.b.t. de patiënt en de
hulpverlener voor jouw casus. Geef voor zowel de patiënt als de fysiotherapeut
minimaal 3 relevante argumenten.
De hanteerbaarheid van het meetinstrument voor de patiënt
De hanteerbaarheid van het meetinstrument voor de patiënt kan worden
onderverdeeld in 4 aspecten: leerbaarheid (bij vragenlijsten), aard van de vragen,
afnametijd en frequentie van afname van de metingen, en fysieke en cognitieve
belasting (Wildenbeest en Wittink, 2008).
De vragenlijsten die worden afgenomen bij de patiënt zijn de NPRS, PSK, KOOS en
(optioneel) CIRS. Het optionele meetinstrument de 1RM test is een meetinstrument
waarbij een fysieke test wordt uitgevoerd en dus geen gebruik wordt gemaakt van
een vragenlijst.
Leesbaarheid
Frits is een Nederlandse man die zijn taalvaardigheid heeft ontwikkeld op school. Hij is
hierdoor in staat om de Nederlandse taal te begrijpen. De vragenlijsten NPRS en PSK
zijn korte vragenlijsten waarbij 1 a 2 vragen worden gesteld die betrekking hebben op
pijn of activiteiten. Bij de NPRS-vragenlijst kan het begrip ‘pijn’ op meerdere manieren
worden geïnterpreteerd maar aan deze vragenlijst zitten geen randvoorwaarden
gebonden. Hierdoor is het voor de fysiotherapeut mogelijk om dit begrip nader toe te
lichten aan de patiënt. Bij de PSK is een randvoorwaarde dat de persoon de vragen
alleen, zonder hulp van anderen, moet invullen. De vraag die wordt gesteld is: ‘Hoe
moeilijk was het in de afgelopen week om deze activiteit uit te voeren?’. Deze vraag
wordt niet belast met ingewikkelde Nederlandse woorden. Hierdoor zijn beide
vragenlijsten goed te lezen voor de patiënt.