Oefenvragen onderzoek
Hoofdstuk 1:
1. Wat wordt bedoeld met intentioneel leren in het kader van
praktijkonderzoek?
A) Leren door toeval en ervaring.
B) Onderzoek doen zonder specifiek doel.
C) Bewust antwoord proberen te krijgen op vragen via een systematische
aanpak.
D) Passief leren door observatie.
2. Welke dimensie vormt de basis van een onderzoekende
beroepshouding volgens Losse en Nahuis (2015)?
A) De introverte houding.
B) De afwachtende houding.
C) De open, kritische en creatieve houding.
D) De dominante houding.
3. Welk hoofddoel van onderzoek richt zich op het begrijpen en
verbeteren van de eigen praktijk?
A) Theorievorming en theorietoetsing.
B) Toepassing van kennis om generieke problemen op te lossen.
C) Begrijpen en verbeteren van de eigen praktijk.
D) Toepassen van evidence-based practice.
4. Bij welke onderzoeksbenadering bestaan er meerdere
interpretaties van de werkelijkheid naast elkaar?
A) Positivistische onderzoeksbenadering.
B) Constructivistische of interpretatieve onderzoeksbenadering.
C) Kritisch-emancipatorische onderzoeksbenadering.
D) Empirische onderzoeksbenadering.
5. Wat is het verschil tussen evidence-based practice (EBP) en
practice-based evidence (PBE)?
A) EBP richt zich op het verzamelen van evidence in de praktijk, terwijl PBE
zich richt op wetenschappelijk bewijs.
B) EBP gebruikt wetenschappelijke condities voor evidence, terwijl PBE
realistische condities gebruikt.
C) EBP richt zich op individuele kennis en ervaringen, terwijl PBE zich richt
op algemene kennis.
D) EBP gebruikt alleen theoretische bronnen, terwijl PBE praktijkgerichte
bronnen gebruikt.
6. Wat wordt bedoeld met ontwerponderzoek?
, A) Onderzoek dat gericht is op het ontwerpen van theoretische modellen.
B) Onderzoek dat gericht is op het ontwerpen van nieuwe producten.
C) Onderzoek waarbij direct wordt gewerkt aan verbetering van de eigen
beroepspraktijk.
D) Onderzoek dat gericht is op het ontwerpen van experimenten.
7. Welke kernactiviteit van praktijkonderzoek richt zich op het
maken van een onderzoeksplan?
A) Oriënteren.
B) Richten.
C) Plannen.
D) Verzamelen.
8. Wat is een richtlijn voor katalyserende validiteit in
praktijkonderzoek?
A) Werk aan je eigen professionele ontwikkeling.
B) Zorg voor betekenisvolle participatie.
C) Werk aan collectieve ontwikkeling en/of empowerment.
D) Organiseer een klankbord.
Hoofdstuk 3:
Hoofdstuk 1:
1. Wat wordt bedoeld met intentioneel leren in het kader van
praktijkonderzoek?
A) Leren door toeval en ervaring.
B) Onderzoek doen zonder specifiek doel.
C) Bewust antwoord proberen te krijgen op vragen via een systematische
aanpak.
D) Passief leren door observatie.
2. Welke dimensie vormt de basis van een onderzoekende
beroepshouding volgens Losse en Nahuis (2015)?
A) De introverte houding.
B) De afwachtende houding.
C) De open, kritische en creatieve houding.
D) De dominante houding.
3. Welk hoofddoel van onderzoek richt zich op het begrijpen en
verbeteren van de eigen praktijk?
A) Theorievorming en theorietoetsing.
B) Toepassing van kennis om generieke problemen op te lossen.
C) Begrijpen en verbeteren van de eigen praktijk.
D) Toepassen van evidence-based practice.
4. Bij welke onderzoeksbenadering bestaan er meerdere
interpretaties van de werkelijkheid naast elkaar?
A) Positivistische onderzoeksbenadering.
B) Constructivistische of interpretatieve onderzoeksbenadering.
C) Kritisch-emancipatorische onderzoeksbenadering.
D) Empirische onderzoeksbenadering.
5. Wat is het verschil tussen evidence-based practice (EBP) en
practice-based evidence (PBE)?
A) EBP richt zich op het verzamelen van evidence in de praktijk, terwijl PBE
zich richt op wetenschappelijk bewijs.
B) EBP gebruikt wetenschappelijke condities voor evidence, terwijl PBE
realistische condities gebruikt.
C) EBP richt zich op individuele kennis en ervaringen, terwijl PBE zich richt
op algemene kennis.
D) EBP gebruikt alleen theoretische bronnen, terwijl PBE praktijkgerichte
bronnen gebruikt.
6. Wat wordt bedoeld met ontwerponderzoek?
, A) Onderzoek dat gericht is op het ontwerpen van theoretische modellen.
B) Onderzoek dat gericht is op het ontwerpen van nieuwe producten.
C) Onderzoek waarbij direct wordt gewerkt aan verbetering van de eigen
beroepspraktijk.
D) Onderzoek dat gericht is op het ontwerpen van experimenten.
7. Welke kernactiviteit van praktijkonderzoek richt zich op het
maken van een onderzoeksplan?
A) Oriënteren.
B) Richten.
C) Plannen.
D) Verzamelen.
8. Wat is een richtlijn voor katalyserende validiteit in
praktijkonderzoek?
A) Werk aan je eigen professionele ontwikkeling.
B) Zorg voor betekenisvolle participatie.
C) Werk aan collectieve ontwikkeling en/of empowerment.
D) Organiseer een klankbord.
Hoofdstuk 3: