SPSS met syntax
Het bewerken van gegevens
- GET: dit kan je gebruiken om een bestand te openen: GET FILE ‘’naam’’.
- SAVE: dit kan je gebruiken om gegevens op te slaan: SAVE OUTFILE ‘’naam’’.
- EXECUTE: om een opdracht uit te voeren, anders wordt dit uitgesteld: EXECUTE.
- VARIABLE LABELS: hiermee krijgen variabelen een omschrijving: VARIABLE LABELS
variabelenaam ‘’label’’
Voorbeeld: VARIABLE LABELS gebjaar ‘’geboortejaar van de respondent’’.
- VALUE LABELS (zie syntaxgids): hiermee krijgen categorieën een label: VALUE LABELS waarde
‘’naam’’
Voorbeeld: VALUE LABELS 1 ‘’man’’ 2 ‘’vrouw’’.
- MISSING VALUES (zie syntaxgids): ontbrekende/ongeldige scores aangeven: MISSING VALUES
variabele (waarde).
Voorbeeld: MISSING VALUES kerklid (99)
- DISPLAY: hiermee kun je informate weergeven over variabelen: DISPLAY DICITONARY
/VARIABLES naam naam naam.
- RECODE (zie syntaxgids): hiermee kun je variabelen hercoderen. Als je een serie oorspronkelijke
waarden een nieuwe waarde wil geven kan dat als volgt (2 3 4 = 0)
Als je kiest voor (LOWEST THRU 5 = 3) dan woorden de oorspronkelijke waarden lager dan en
gelijk aan 5 meegenomen. Met HIGHEST TRU wordt dus alles hoger en gelijk meegenomen. Met
(ELSE = 999) geef je aan dat de waarde die je niet hebt aangegeven missings zijn.
Voorbeeld: RECODE stemmen (1 5 12 = 1) (2 4 9 10 = 2) (ELSE = 99) INTO politek.
- COMPUTE: zo kun je variabelen construeren op basis van een formule: COMPUTE variabelenaam
= formule
Voorbeeld: COMPUTE uithuis = (1995 – geboortejaar) – zelfst.
- COUNT (zie syntaxgids): telt het aantal keren dat een waarde voorkomt: COUNT variabele =
variabele (waarden) variabelen (waarden)
Voorbeeld: COUNT MISSINGS = burgzelfst (9999) urenwerk (999).
- IF (zie syntaxgids): je kunt waarden toekennen indien ze aan bepaalde voorwaarden voldoen: IF
(voorwaarde) variabelenaam = waarde.
Voorbeeld: COMPUTE afname = 0. IF (kerknu < kerk15) afname = 1.
- WRITE: om gegevens op te slaan in een algemeen tekstbestand: WRITE OUTFILE ‘’naam’’ /
variabele (formaat).
- DATA LIST: om een tekst bestand te openen: DATA LIST FILE ‘’naam’’ / variabele (formaat)
- DO IF / ELSE IF / ELSE / END IF: DO IF markeert het begin van commando’s die alleen uitgevoerd
worden als aan de voorwaarde achter DO IF wordt voldaan, met ELSE IF en ELSE kunnen
bewerkingen worden aangegeven. DO IF (voorwaarde). Commando.
Voorbeeld: DO IF (opleiding < 3). WRITE OUTFILE ‘’data.txt.’’/stemmen (f3).
- SELECT IF: hiermee kun je respondenten permanent uit het bestand verwijderen: SELECT IF
(variabele = waarde).
Voorbeeld: SELECT IF (geslacht = 1).
- FILTER: wordt gebruikt om tjdelijk een selecte van respondenten te maken: FILTER BY variabele.
Iedereen met een ongeldige/ontbrekende waarde worden dan inactef.
- SORT CASES: respondenten kunnen op een of meerdere variabelen gesorteerd worden, je kunt
een D gebruiken voor descending en een A voor ascending: SORT CASES BY variabelen.
Voorbeeld: SORT CASES BY regio (D) provincie.
- SPLIT FILE: splitst de respondenten in groepen: SPLIT FILE BY variabele.
Het bewerken van gegevens
- GET: dit kan je gebruiken om een bestand te openen: GET FILE ‘’naam’’.
- SAVE: dit kan je gebruiken om gegevens op te slaan: SAVE OUTFILE ‘’naam’’.
- EXECUTE: om een opdracht uit te voeren, anders wordt dit uitgesteld: EXECUTE.
- VARIABLE LABELS: hiermee krijgen variabelen een omschrijving: VARIABLE LABELS
variabelenaam ‘’label’’
Voorbeeld: VARIABLE LABELS gebjaar ‘’geboortejaar van de respondent’’.
- VALUE LABELS (zie syntaxgids): hiermee krijgen categorieën een label: VALUE LABELS waarde
‘’naam’’
Voorbeeld: VALUE LABELS 1 ‘’man’’ 2 ‘’vrouw’’.
- MISSING VALUES (zie syntaxgids): ontbrekende/ongeldige scores aangeven: MISSING VALUES
variabele (waarde).
Voorbeeld: MISSING VALUES kerklid (99)
- DISPLAY: hiermee kun je informate weergeven over variabelen: DISPLAY DICITONARY
/VARIABLES naam naam naam.
- RECODE (zie syntaxgids): hiermee kun je variabelen hercoderen. Als je een serie oorspronkelijke
waarden een nieuwe waarde wil geven kan dat als volgt (2 3 4 = 0)
Als je kiest voor (LOWEST THRU 5 = 3) dan woorden de oorspronkelijke waarden lager dan en
gelijk aan 5 meegenomen. Met HIGHEST TRU wordt dus alles hoger en gelijk meegenomen. Met
(ELSE = 999) geef je aan dat de waarde die je niet hebt aangegeven missings zijn.
Voorbeeld: RECODE stemmen (1 5 12 = 1) (2 4 9 10 = 2) (ELSE = 99) INTO politek.
- COMPUTE: zo kun je variabelen construeren op basis van een formule: COMPUTE variabelenaam
= formule
Voorbeeld: COMPUTE uithuis = (1995 – geboortejaar) – zelfst.
- COUNT (zie syntaxgids): telt het aantal keren dat een waarde voorkomt: COUNT variabele =
variabele (waarden) variabelen (waarden)
Voorbeeld: COUNT MISSINGS = burgzelfst (9999) urenwerk (999).
- IF (zie syntaxgids): je kunt waarden toekennen indien ze aan bepaalde voorwaarden voldoen: IF
(voorwaarde) variabelenaam = waarde.
Voorbeeld: COMPUTE afname = 0. IF (kerknu < kerk15) afname = 1.
- WRITE: om gegevens op te slaan in een algemeen tekstbestand: WRITE OUTFILE ‘’naam’’ /
variabele (formaat).
- DATA LIST: om een tekst bestand te openen: DATA LIST FILE ‘’naam’’ / variabele (formaat)
- DO IF / ELSE IF / ELSE / END IF: DO IF markeert het begin van commando’s die alleen uitgevoerd
worden als aan de voorwaarde achter DO IF wordt voldaan, met ELSE IF en ELSE kunnen
bewerkingen worden aangegeven. DO IF (voorwaarde). Commando.
Voorbeeld: DO IF (opleiding < 3). WRITE OUTFILE ‘’data.txt.’’/stemmen (f3).
- SELECT IF: hiermee kun je respondenten permanent uit het bestand verwijderen: SELECT IF
(variabele = waarde).
Voorbeeld: SELECT IF (geslacht = 1).
- FILTER: wordt gebruikt om tjdelijk een selecte van respondenten te maken: FILTER BY variabele.
Iedereen met een ongeldige/ontbrekende waarde worden dan inactef.
- SORT CASES: respondenten kunnen op een of meerdere variabelen gesorteerd worden, je kunt
een D gebruiken voor descending en een A voor ascending: SORT CASES BY variabelen.
Voorbeeld: SORT CASES BY regio (D) provincie.
- SPLIT FILE: splitst de respondenten in groepen: SPLIT FILE BY variabele.