100% tevredenheidsgarantie Direct beschikbaar na je betaling Lees online óf als PDF Geen vaste maandelijkse kosten 4.2 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting Probleem 6 blok 2.4

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
8
Geüpload op
15-11-2018
Geschreven in
2017/2018

samenvatting literatuur probleem 6 blok 2.4 aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam










Oeps! We kunnen je document nu niet laden. Probeer het nog eens of neem contact op met support.

Documentinformatie

Geüpload op
15 november 2018
Aantal pagina's
8
Geschreven in
2017/2018
Type
Samenvatting

Onderwerpen

Voorbeeld van de inhoud

2.4 Probleem 6 Coren, Goldstein & Wolfe

- Cue approach to depth perception: benadering waarbij wordt gekeken welke informatie een
tweedimensionaal beeld bevat waarmee wij diepte waar kunnen nemen. De focus ligt bij deze
benadering op het identificeren van informatie in het retinale beeld dat overeenkomt met de
werkelijke diepte.
 Bijvoorbeeld: een object dat voor een gedeelte een ander object
afschermt, zoals de boom in het plaatje, moet dichterbij zijn dan het
object dat wordt afgeschermd (het huis). Deze situatie wordt
occlusion genoemd en is een signaal (cue) dat er een object voor een
ander object staat.

Volgens de cue theory leren we de cue en diepte door eerdere ervaringen met
de omgeving. Als we dit geleerd hebben, hebben we een automatische
associatie tussen deze cues en diepte en als deze cues dus aanwezig zijn, zien
we de wereld in 3D.
Er zijn 3 soorten overkoepelende cues:
1. Occulomotor cues: deze zijn gebaseerd op onze vaardigheid om de positie van onze ogen en
de spanning van onze oogspieren te waarnemen.
 Convergentie: naar binnen draaiende bewegingen van de ogen die optreden als er
gekeken wordt naar nabije objecten.
 Divergentie: het uit elkaar bewegen van de ogen als we naar een object ver weg
kijken.
 Accommodatie: de lens verandert als we ons focussen op objecten op verschillende
afstanden. Als we objecten dichtbij proberen te zien, wordt de lens boller. Een
gebogen lens is nodig om objecten van dichtbij scherp te kunnen zien. Als we
objecten van veraf scherp willen zien, wordt de lens platter. Dit werkt echter alleen bij
objecten die zich 20 tot 300 cm van je af bevinden.
Deze signalen zorgen ervoor dat we bewegingen van de ogen kunnen voelen.
2. Monocular cues: dit zijn de signalen die met 1 oog werken.
 Accommodatie
 Pictorial cues: bronnen van informatie over diepte die kunnen worden afgebeeld in
een tweedimensionale afbeelding. Hier zijn verschillende soorten van:
o Occlusion/ interposition/ insluiting: als een object een ander object voor een
deel afschermt door overlap. Dit geeft een relatieve afstand aan (voorbeeld
huis/boom)
o Relative height: objecten die onder de horizon liggen, maar wel hoog in het
gezichtsveld, worden ervaren als verder weg dan de objecten die laag in het
gezichtsveld zitten. Voor objecten boven de horizon is het precies andersom.
Hoe dichter objecten bij de horizon liggen, hoe verder de afstand lijkt.
o Relative size: als twee objecten normaal gezien even groot zijn, is het object
dat het grootst wordt afgebeeld dus het dichtstbij. Dit is dus wel afhankelijk
van kennis over de grootte van objecten.
o Perspective convergence: twee lijnen die parallel lopen gaan dichter naar
elkaar toe als de afstand groter wordt. Hierdoor lijkt het dus alsof objecten
kleiner worden als de afstand groter wordt. Uiteindelijk convergeren alle
lijnen en verdwijnen de objecten. Dit wordt het vanishing point genoemd. Dit
punt ligt meestal op de horizon.
o Familiar size: eerder opgedane kennis over de grootte van objexten zorgt
ervoor dat je de afstand van het object beter kunt bepalen. Hierbij hoort het
experiment van Epstein waarbij proefpersonen in een donkere ruimte een foto
te zien kregen met daarop 3 muntstukken van dezelfde grootte, terwijl deze in
werkelijkheid niet even groot waren. Zodra ze met 1 oog de afstand moesten

, bepalen, schatten ze de grootste munt het verste weg in. Met twee ogen zagen
ze wel dat de munten even ver weg waren.
o Atmospheric perspective: objecten die verder weg zijn, zijn vaak minder
scherp en hebben een blauwachtige tint. Dit komt omdat er door de afstand
meer lucht tussen zit. Dit is wel per gebied verschillend, omdat overal de lucht
verschillend is.
o Texture gradient: elementen in de ruimte lijken dichter tegen elkaar aan te
zitten als ze verder weg zijn. Belangrijke informatie die we hieruit halen is dat
een plotselinge textuurverandering kan wijzen op een verandering van de
richting van de oppervlakte. De neuronen die hierop reageren, bevinden zich
in de parietale cortex.
o Shadows: schaduw geeft informatie over de locatie van een object. Er zijn
hier 2 vormen van, namelijk:
 Attached shadow: deze zit aan het object vast en bepaalt de
vorm
 Cast shadow: deze bevindt zich naast het object en toont de
relatieve afstand tussen 2 objecten. Het kan bijvoorbeeld
zeggen of het object ergens op rust of dat het ergens boven
zweeft.
o Movement-bases cues: informatie over diepte gecreëerd door beweging. Hier
zijn 2 belangrijke vormen van:
 Motion parallax:
objecten die dichtbij zijn
lijken sneller te bewegen
dan de objecten die ver
weg zijn. Dit komt
doordat objecten die
dichtbij zijn een grotere
afstand overbruggen op
het netvlies door de
scherpere hoeken.
De schijnbare positie van een object ten opzichte van een
ander object varieert als het vanuit verschillende posities
wordt bekeken. Alle objecten die dichterbij zijn dan je
fixatiepunt lijken de tegengestelde richting op te gaan en alle
objecten verder dan je fixatiepunt lijken dezelfde kant op te
bewegen
 Deletion and accretion: als 2 vlakken met verschillende
afstanden naast elkaar staan, lijkt het dat ze elkaar overlappen
als je de ene kant opgaat (deletion) en dat ze weer naast elkaar
staan als je terug beweegt (accretion).
3. Binocular cues: signalen die met twee ogen
werken.

 Alle signalen werken op verschillende afstanden,
zoals aangegeven in de tabel:



(Hoort nog bij de binocular cues)

- Binocular disparity: het verschil tussen de
beelden van het linkeroog en het rechteroog.

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
myrthelangerak Erasmus Universiteit Rotterdam
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
61
Lid sinds
8 jaar
Aantal volgers
37
Documenten
32
Laatst verkocht
3 jaar geleden

3,4

13 beoordelingen

5
0
4
8
3
3
2
1
1
1

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Veelgestelde vragen