GEDETAILLEERDE UITLEG BEGRIPPEN
Hoofdstuk 1: Wat is economie?
€ Productiefactor kapitaal: Kapitaal is een afgeleide productiefactor.
€ De productieproces: Dat is elke fase waarbij de waarde van de geproduceerde
goederen toeneemt. Arbeid en machines worden ingezet om grondstoffen te
verwerken tot intermediaire producten.
Andere vormen van arbeid en kapitaal werken de producten af tot
eindproducten. Vervoer en handel zijn ook productieve activiteiten omdat de
goederen op een bepaalde plaats en tijdstip geleverd moeten worden.
€ Omwegproductie/Investeren: Schaarse middelen aanwenden voor
kapitaalvorming zorgt ervoor dat de consumptie uitgesteld wordt. De
bedoeling hiervan is om later meer economische goederen te produceren. Op
korte termijn zijn consumptie en investeringen alternatieven. Het ene gaat ten
koste van het andere, maar op lange termijn zorgt investeren wel voor meer
consumptie. Ze komen indirect in aanmerking voor de menselijke behoeften.
€ Marginale product van arbeid: de toename in de productie ten gevolge
ingezette hoeveelheid arbeid.
Situatie: De economie produceert slechts 2 goederen volgens een
verschillende productiefunctie. Er wordt bij beide producties zowel gebruikt
gemaakt van arbeid, natuur als kapitaal. We gaan ervan uit dat de
hoeveelheden kapitaal en natuur constant zijn en dat de hoeveelheid arbeid
varieert.
Besluit: Afnemend marginaal product
Bij een toename van arbeid, neemt ook de productie (output) toe, maar dan wel
telkens in mindere mate. ‘afnemend fysieke meeropbrengsten’.
€ Productiemogelijkhedencurve: Hiermee duidt men de verschillende
combinaties van goederen aan, die maximaal kunnen worden gerealiseerd bij
een volledige inzet/ aanwending van de beschikbare productiegoederen.
OF
De curve van de productiemogelijkheden is m.a.w. de verzameling van de
efficiënte productiemogelijkheden.
VERBAND: De curve van de productiemogelijkheden hangt samen met de
productiefuncties van de producten.
Aan de productiemogelijkhedencurve kun je afleiden of de opportuniteitskosten van
de producten stijgt OF daalt bij een extra toevoeging van de variabele-productiefactor.
, OPMERKING: De productiemogelijkhedencurve verschuift naar rechts, d.w.z. dat er
per mogelijkheid meer van beide producten kan geproduceerd worden.
€ Markteconomie: de allocatie van productiefactoren en van producten steunt op
het prijsmechanisme. Potentiële kopers en potentiële verkopers vinden elkaar
in een algemeen ruilsysteem voor goederen en productiefactoren. De markt
wordt gekenmerkt door een sterk gedecentraliseerde organisatie. Er is geen
enkel centraal organisme. De prijsmechanisme wordt ook wel de “invisible
hand” genoemd.
€ Gemengde economie: een combinatie van marktallocatie en
overheidsingrijpen.
€ Merit goods: Het marktmechanisme is volledig/ gedeeltelijk uitgeschakeld
voor collectieve goederen, omdat ze geen marktprijs hebben of zwaar
onderprijsd zijn.
OPMERKING: De opportuniteitskosten bij een productiemogelijkhedencurve kunnen
stijgen, als per één extra eenheid variabele dat je inzet je minder kreeg dan voordien,
terwijl je evenveel blijft verliezen van de andere product.
€ Social balance problem: In verband met de productiemogelijkhedencurve heb
je keuzeproblematiek van de allocatie van uw beschikbare middelen. Een
toepassing hiervan vanuit de overheid is het budget alloceren aan private
goederen of collectieve goederen => social balance problem
Hoofdstuk 2: Het marktmechanisme
€ Marktvraag: De marktvraag van een goed of dienst refereert naar de totale
hoeveelheid goederen/diensten die alle consumenten te samen bereid zijn om
te kopen, afhankelijk van een aantal factoren zoals de prijs, inkomen, …
€ Complementaire goederen: Complementaire goederen zijn goederen waarvan
de prijsverhoging van het ene goed een negatieve effect zal hebben op de
gevraagde hoeveelheid van het andere goed.
Bv. Auto’s worden duurder, dus vraag naar benzine neemt af.
€ Substituten:
Dat zijn goederen waarvan de prijsverhoging van het ene goed, een positieve
effect zal brengen op de gevraagde hoeveelheid van het andere goed.
Bv. Koffie en thee
, VERBAND: Gevraagde hoeveelheid heeft een negatieve verband met de prijs
(in de partiële analyse). De prijs kan ook als afhankelijke variabele weergegeven
worden, die dan beschrijft wat de betalingsbereidheid is van de consumenten, gegeven
een bepaalde hoeveelheid.
€ Marktaanbod: Het marktaanbod geeft de totale hoeveelheid goederen/diensten
weer die alle producenten te samen bereid zijn aan te bieden, afhankelijk van
een aantal factoren zoals de prijs, de prijs van de productiefactoren, de stand
van de technologie, het aantal producenten, de prijzen van andere goederen en
de verwachte toekomstige prijzen.
OPMERKING: De verwachting van de daling/stijging van de prijs van een goed zorgt
ervoor dat de vrager/aanbieder tijdelijk zal wachten met kopen/aanbieden tot dat de
prijs gedaald/gestegen is. => Dit noemt men intertemporele substitutie
VERBAND: De aangeboden hoeveelheid geeft een positieve verband weer tussen de
hoeveelheid die de producenten willen aanbieden en de prijs die ze ervoor krijgen.
Omgekeerd kan de prijs ook als afhankelijke variabele weergegeven worden, die dan
beschrijft welke prijs de producenten willen ontvangen, gegeven een bepaalde
aangeboden hoeveelheid.
€ Marktevenwicht: De markt bereikt een evenwicht wanneer er een prijs
gehanteerd wordt, waarbij de gevraagde hoeveelheid precies gelijk is aan de
aangeboden hoeveelheid. Bij afwijkingen treden er automatische werkingen
die de markt terug naar een evenwicht zullen herleiden. Er is een absolute
behoeftebevrediging.
OPMERKING: Bij een vraagoverschot is er in feite een aanbodtekort. Hierbij
vervullen niet alle klanten hun behoeftes en waarbij er veel consumenten bereid zijn
om een hogere prijs te betalen voor datzelfde hoeveelheid. Hierdoor gaan de
producenten hun prijzen laten stijgen totdat er een evenwicht wordt bereikt.
VERBAND: Een verschuiving van de vraag OF van het aanbod zorgt ervoor dat de
evenwichtsprijs en -hoeveelheid stijgen. Een verschuiving van de vraag EN van het
aanbod naar rechts zorgt al zeker voor een stijging van de evenwichtshoeveelheid. Een
verschuiving van de vraag naar links (minder vraag) en van het aanbod naar rechts
(meer aanbod) zorgt al zeker voor een sterke daling van de evenwichtsprijs.
€ Prijselasticiteit: Hey meten van de gevoeligheid waarmee de vraag en aanbod
reageren op prijsveranderingen die nauw samengaan met de ligging van de
curven.
, VERBAND: Een vraag of aanbod met een steile curve heeft weinig invloed op een
grote prijsverandering, terwijl een vraag of aanbod met een vlakke curve een grote
invloed heeft op een kleine prijsverandering.
€ Prijselasticiteit van de vraag: Het is een indicator die de gevoeligheid meet
waarmee consumenten reageren op een prijsverandering.
€ Prijsinelastische vraag: Wanneer de prijselasticiteit van de vraag kleiner is dan
1, d.w.z. dat er voor een procentuele prijsverandering proportioneel minder
sterk wordt gereageerd op de prijsverandering.
€ Prijselastische vraag: Wanneer de prijselasticiteit van de vraag groter is dan
1,d.w.z. dat er bij een prijsverandering proportioneel sterker/meer wordt
gereageerd op de prijsverandering.
OPMERKING: Er wordt gewerkt met absolute waarde, vanwege het negatieve
verband tussen de vraag en de prijs en de prijselasticiteit is een onbenoemd getal dat
dus de voordeel biedt om elasticiteiten tussen goederen te kunnen vergelijken.
VERBAND: Er zijn voor de berekening van de prijselasticiteit van de vraag 3
methoden:
Definitie t.o.v. de initiële prijs/hoeveelheid
Boog/segmentelasticiteit t.o.v. de gemiddelde prijs/hoeveelheid
Puntelasticiteit, geeft de afgeleide van de gevraagde hoeveelheid met betrekking op de
prijs en t.o.v. de initiële prijs/hoeveelheid
OPMERKING: De vraagcurve loglineair OF lineair in de logaritmen is altijd constant met als
waarde, de negatieve exponent van de vraag.
€ Fallacy of composition: Wat correct is voor het geheel is niet noodzakelijk
correct op individueel vlak.
VERBAND: De prijselasticiteit van de uitgaven en de vraag t.o.v. de prijs kan ons omgekeerd
ons iets vertellen over de prijselasticiteit als de uitgaven wel gekend zijn.
1. Als de uitgaven en de prijs in dezelfde richting lopen, dan is de vraag prijsinelastisch
2. Als de prijs en de uitgaven in tegengestelde richtingen lopen, dan is de vraag
prijselastisch
3. Als de prijs en de uitgaven constant blijven na een prijswijziging, dan is de vraag
unitair elastisch (Abs =1 )
€ Prijselasticiteit van het aanbod: De invloed van een prijswijziging op de
aangeboden hoeveelheid. De aangeboden hoeveelheid zal met x % veranderen
op een prijsverandering van 1%.
OPMERKING: Als de aanbodcurve een lineaire rechte is door de oorsprong, dan is de
prijselasticiteit van het aanbod gelijk aan 1.
, € Kruiselingse elasticiteit: De kruiselingse elasticiteit geeft weer met welke
percentage de gevraagde hoeveelheid van goed i wijzigt bij een toename van
1% van goed j
OPMERKING: Bij de inkomenselasticiteit heb je 3 mogelijkheden:
1. Normale goederen (0<x<1)
2. Luxegoederen (1<x<∞)
3. Inferieure goederen (-∞<x<0)
€ Inkomenselasticiteit: Geeft de verandering van de gevraagde hoeveelheid weer
bij een toename van 1% van het inkomen.
VUISTREGEL: Er zijn 4 soorten prijselasticiteiten:
1. Prijselasticiteit v/d aanbod
2. Prijselasticiteit v/d vraag
3. Prijselasticiteit v/d inkomen
4. Kruiselingse prijselasticiteit
€ Accijnzen: Het is een constante belasting per eenheid van het product
€ Waardebelasingen: Procentuele belastingen op de waarde van het product
€ Belastingafwentelingen: Wanneer de producten de belasting van de overheid
afwentelt op de prijs van de consumenten.
VERBAND: Of de producent de belasting kan afwentelen op de consument hangt af van de
prijselasticiteit van de vraag. Als de vraag prijsgevoelig is, dan moet de afwenteling beperkt
zijn. Als de vraag prijsinelastisch is, dan mag de afwenteling in grote mate gebeuren.
Als de overheid de productie wil beperken, dan moeten ze producten belasten die
prijsgevoelig zijn, Maar als de overheid grote belastinginkomst wilt, dan moeten ze producten
belasten die prijsinelastisch zijn.
OPMERKING: De marktvraag/aanbod is niets meer dan de som van de vraag/aanbodcurve
van een groot aantal consumenten/producenten.
€ Ceteris Paribus: ‘onder gelijkblijvende omstandigheden’ OF alle ander
factoren worden constant verondersteld (partiële analyses).
Hoofdstuk 3: Consumentengedrag en de afleiding van de vraag
,OPMERKING: Het nut van de laatste eenheid van een goed bepaalt de vraag naar dat goed!!!
VERBAND: 2 wetten van Gossen
1ste Wet: Het marginaal nut van een goed daalt wanneer men meer en meer van dat goed
consumeert.
2de Wet: Een consument die zijn nut wilt maximaliseren, zal zijn bestedingen zodanig
alloceren dat de laatste eurocent die besteed wordt aan de verschillende goederen overal
eenzelfde marginaal nut gaan hebben. De consument bereikt in dit punt het optimum
Theorie van Marshall:
De consumenten nemen beslissingen aan de hand van:
1. Preferenties
2. Prijsniveau
3. Inkomen
Het doel van de consumenten is om hun nut te maximaliseren.
VERBAND: 1ste Methode om het optimum te vinden voor de keuze v/d consument
Wanneer de laatste euro voor elk verschillend product evenveel nut opbrengt. Dit wil
dus zeggen dat de consument in zijn nut een optimum bereikt wanneer
de marginale baten = marginale kosten per extra euro en waarbij
de marginale kost = aan de marginale opportuniteitskosten van het verkiezen van het
ene product en daarmee het verlies van het andere product.
€ Indifferentiecurve: Curve die voor alle goederencombinaties weergeeft
waartussen de consument indifferent (onverschillig) is
VERBAND:
2 essentiële veronderstellingen wat de rationaliteit van de consument inhoudt:
1. De volledigheid
2. Transitief
2 Technische veronderstellingen wat de rationaliteit van de consument inhoudt:
1. Niet-verzadiging (non-saturatie)
2. Convexiteit
€ Substitutieverhouding: De substitutieverhouding geeft de betalingsbereidheid
weer van goed 2 in termen van goed 1eenheden. De convexiteit zegt dan dat de
subjectieve ruilverhouding, de betalingsbereidheid daalt naarmate men meer
van goed 2 bezit.
,OPMERKING: Vanuit de veronderstelling dat er niet-verzadiging is van het nut, dat de
indifferentiecurves die verst zijn verwijderd van de oorsprong het grootste nut hebben.
€ Nutsfunctie: een nutsfunctie legt de relatie tussen de consumptie van diverse
hoeveelheden van diverse goederen en het totale nut verkregen door die
consumptie
OPMERKING:
De absolute waarden v/d nutsfuncties zijn waardeloos. Nutsfuncties kunnen alleen ordinaal
geïnterpreteerd (ordening) worden. Verschillen tussen de nutsfuncties hebben geen betekenis.
De vergelijking van de nutsfunctie kan in termen van x2 als afhankelijke waarde geschreven
worden om het verband tussen x1 en x2 weer te geven.
€ Marginale substitutiegraad: De marginale substitutiegraad (MSG) is de
betalingsbereidheid van goed 1 in termen van goed 2, maar dan voor zeer
kleine veranderingen in goed 2.
VERBAND:
De marginale substitutiegraad van goed 1 in termen van goed 2 is niets anders dan de
helling/richtingscoëfficiënt van de indifferentiecurve in dat punt.
Door de convexiteit kunnen we ook besluiten dat de betalingsbereidheid voor goed 1 daalt
naarmate er meer van wordt geconsumeerd, DUS Afnemende marginale substitutiegraad. De
RC wordt ook kleiner naarmate er meer van goed 1 wordt geproduceerd.
VERBAND: De marginale substitutiegraad kan immers ook uitgedrukt worden als de
verhouding van het marginaal nut van beide goederen.
REDEN: De betalingsbereidheid van goed 1 in termen van goed 2 zou stijgen als het
marginaal nut dat je verkrijgt per extra eenheid van goed 1 groter is dan die van goed 2.
BESLUIT:
De MGS geeft dus grafisch de absolute waarde van de helling van de indifferentiecurve en de
verhouding van het marginale nut tussen de 2 goederen weer.
€ Budgetrechte: De budgetrechte geeft alle mogelijke combinaties die de
consument kan kopen met een gegeven budget en gegeven prijzen.
VERBAND:
De opstelling v/d budgetrechte is een lineaire rechte met een negatief verband tussen de 2
goederen. Aan de ene uiteinde heb je y/p2 goederen die de consument maximaal kan kopen en
aan de andere uiteinde heb je y/p1 goederen die de consument maximaal kan kopen.
De helling v/d budgetrechte kan bekomen worden door de budgetrechte te schrijven als goed
2 als afhankelijke variabele in functie van goed 1. Hierdoor bekom je voor de helling van de
budgetrechte -p1/p2 .
, De helling v/d budgetrechte geeft de prijsverhouding van de 2 goederen weer. Het laat dus
zien hoeveel van goed 1 opgegeven moet worden om een extra eenheid van goed 2 te kunnen
kopen op basis van het inkomen. Het is de objectieve ruilverhouding en geeft dus ook de
marginale opportuniteitskosten weer van het ene goed om het andere te bemachtigen.
Samenvatting Formules:
De subjectieve ruilverhouding geeft de betalingsbereidheid weer van een extra eenheid
van goed 1 in termen van goed 2.
De marginale substitutieverhouding geeft de betalingsbereidheid weer van goed 1 in
termen van goed 2 bij zeer kleine veranderingen van goed 2. Dit kan door:
1. De afgeleide van goed 2 in functie van goed 1
2. De afgeleide van de nutsfunctie met de verhouding v/d marginale nut van goed 1
t.o.v. goed 2
3. De helling van de budgetrechte in functie van goed 1 met goed 2 als afhankelijke
variabele, die de objectieve ruilverhouding weergeeft.
€ Het optimum:
VERBAND: Grafische interpretatie v/h optimum
Een consument die maximale voldoening nastreeft met zijn goederen wilt een
indifferentiecurve die zo ver mogelijk v/d oorsprong is verwijderd, maar tegelijk heeft de
consument wel maar een beperkte budget waardoor het optimum gevonden kan worden in het
snijpunt v/d indifferentiecurve die zover mogelijk v/d oorsprong is verwijderd EN die snijdt
met de budgetrechte.
VERBAND: Het optimum in het maximaliseren v/h nut
De marginale substitutiegraad geeft de marginale nut/baten weer van het consumeren van een
goed 1 in termen van goed 2. De objectieve ruilverhouding geeft de opportuniteitskost weer
van goed 2 door extra consumeren van goed 1.
Herhaling 2de Wet van Gossen: De consument maximaliseert z’n nut wanneer elke laatste
euro aan elke goed evenveel nut opbrengt.
DUS: Wanneer Marginale baten = Marginale kost , dan is het optimum bereikt
€ Hoekoplossing: