What Is Personality Development?
Personality development: Persoonlijkheidsontwikkeling kan gedefinieerd worden als de
continuïteit, consistentie en stabiliteit van mensen in de loop van de tijd en de manieren waarop
mensen in de loop van de tijd veranderen. De twee belangrijkste vormen van stabiliteit zijn rank
order stability en mean level stability.
Rank Order Stability
Rank order stability: Het behoud van de individuele positie binnen een groep. Met andere
woorden, als iemand hoog scoort op een bepaald persoonlijkheidskenmerk (bijvoorbeeld lengte)
in vergelijking met anderen op een bepaald moment, in hoeverre zal die persoon nog steeds
relatief hoog (of laag) scoren op dat kenmerk in de toekomst? Het meet de consistentie van de
individuele verschillen in persoonlijkheidskenmerken.
Mean Level Stability
Mean level stability: verwijst naar de mate waarin het gemiddelde niveau van een bepaald
persoonlijkheidskenmerk behouden blijft over de tijd in een populatie of groep. Met andere
woorden, als we naar een groep mensen kijken, verandert het gemiddelde niveau van een
bepaald persoonlijkheidskenmerk dan in de loop van de tijd? Mean level stability meet of er
algemene verschuivingen zijn in de scores op een persoonlijkheidskenmerk binnen een groep
mensen. Er is sprake van mean level change als het gemiddelde niveau van een bepaald
persoonlijkheidskenmerk verandert over tijd in een populatie of groep.
Personality Change
Persoonlijkheidsveranderingen hebben twee eisen:
1. Het moet intern zijn
2. Het moet relatief lang aanhouden, in plaats van tijdelijke verandering
Stability of Temperament during Infancy
Verreweg de meest bestudeerde persoonlijkheidskenmerken in de kindertijd vallen onder de
categorie temperament. Hoewel er enige onenigheid is over wat de term betekent, definiëren
de meeste onderzoekers temperament als de individuele verschillen die zeer vroeg in het leven
ontstaan, waarschijnlijk een erfelijke basis hebben en vaak te maken hebben met emotionaliteit
of prikkelbaarheid.
Mary Rothbart zei dat er 6 factoren waren van temperament:
1. Activity level: De algehele motorische activiteit van de zuigeling, inclusief arm- en
beenbewegingen.
, 2. Smiling and laughter: hoe vaak lacht de zuigeling?
3. Fear: de stress en terughoudendheid van een zuigeling om nieuwe stimuli te verwerken
4. Distress to limitations: de zuigeling zijn onrust omdat voedsel geweigerd wordt, omdat ze
aangekleed worden, omdat ze opgesloten zitten of omdat ze geen toegang hebben tot
een gewenst voorwerp.
5. Soothability: in hoeverre de zuigeling stress of kalmte uit als gevolg van gekalmeerd
worden
6. Duration of orienting: de mate waarin het kind zijn aandacht bij het object houdt zonder
plotselinge veranderingen.
Probleem bij deze theorie: het kan zijn dat de verzorgers van de kinderen bepaalde opvattingen
over hun baby's hebben ontwikkeld, en het kunnen hun opvattingen zijn in plaats van de
gedragingen van de baby's die stabiliteit vertonen in de loop van de tijd.
De bevindingen onthullen alsnog vier belangrijke punten:
1. Vroege opkomst van stabiele individuele verschillen: Stabiele persoonlijke
verschillen in temperament lijken al heel vroeg in het leven naar voren te komen, en
deze kunnen worden waargenomen door observatoren.
2. Matige stabiliteit in het eerste levensjaar: Voor de meeste temperamentkenmerken is
er een matige mate van stabiliteit in de loop van het eerste levensjaar.
3. Meer stabiliteit over korte termijn: De stabiliteit van temperament neigt sterker te zijn
over korte tijdsintervallen dan over lange tijdsintervallen. Deze bevinding geldt ook voor
volwassenen.
4. Toenemende stabiliteit met de leeftijd: Naarmate baby's ouder worden, neemt de
stabiliteit van temperament over het algemeen toe.
Met andere woorden, vroege individuele verschillen in temperament manifesteren zich al snel,
zijn matig stabiel gedurende het eerste levensjaar, zijn stabieler over korte periodes dan over
lange periodes, en nemen toe naarmate baby's ouder worden.
Stabiliteit is erfelijk