1.1
Een kracht teken je door middel van een pijl met 3 eigenschappen.
1. De lengte van de pijl geeft de grootte van de kracht aan.
2. Richting van de pijl geeft de richting van de kracht aan.
3. Aangrijpingspunt is waar de pijl begint.
Zwaartekracht= de kracht die de aarde uitoefent op alles wat een massa heeft.
Zwaartekracht Fz= m x g
Fz =de zwaartekracht in newton(N)
M = de massa in kg
G= 9,81 newton per kg(N/kg)
Andere formules:
M= Fz/g
G= Fz/m
Krachtenschaal= aantal newton: aantal cm.
Hefboom= voorwerp met 2 uiteinden die vaak verschillend van lengte zijn met een kleine spierkracht
aan de lange kant kun je een grotere werkkracht aan de korte kant veroorzaken. Hoe langer
uiteinde, hoe groter de werkkracht.
Aangrijpingspunt = plek waar de krachten op werken.
Draaipunt= punt van het werktuig dat stilstaat
Nijptang, klauwhamer, flesopener, schaar, notenkraker zijn allemaal gereedschappen die met by een
hefboom werken.
Hefboom kenmerken:
1 Draaipunt
2 Een korte uiteinde waar de werkkracht aangrijpt (F werk).
3 Een lang uiteinde waar de spierkracht aangrijpt (F spier).
Het draaipunt kan op 3 verschillende plekken ten opzichte van de aangrijpingspunten van de
spierkracht en van de werkkracht liggen:
• Het draaipunt tussen werkkracht en de spierkracht in
• Het draaipunt zit aan het uiteinde en de werkkracht zit tussen het draaipunt en de
spierkracht in.
• Het draaipunt zit aan het uiteinde en de spierkracht zit tussen het draaipunt en de
werkkracht in.
De afstand tussen het draaipunt en de spierkracht heet de arm van de kracht, de arm van de kracht
is de kortste van het draaipunt tot de werklijn van de kracht. De werklijn van de kracht is de lijn
waarlangs de kracht werkt. Hoe groter de arm van de spierkracht, hoe groter de werkkracht.
Een kracht teken je door middel van een pijl met 3 eigenschappen.
1. De lengte van de pijl geeft de grootte van de kracht aan.
2. Richting van de pijl geeft de richting van de kracht aan.
3. Aangrijpingspunt is waar de pijl begint.
Zwaartekracht= de kracht die de aarde uitoefent op alles wat een massa heeft.
Zwaartekracht Fz= m x g
Fz =de zwaartekracht in newton(N)
M = de massa in kg
G= 9,81 newton per kg(N/kg)
Andere formules:
M= Fz/g
G= Fz/m
Krachtenschaal= aantal newton: aantal cm.
Hefboom= voorwerp met 2 uiteinden die vaak verschillend van lengte zijn met een kleine spierkracht
aan de lange kant kun je een grotere werkkracht aan de korte kant veroorzaken. Hoe langer
uiteinde, hoe groter de werkkracht.
Aangrijpingspunt = plek waar de krachten op werken.
Draaipunt= punt van het werktuig dat stilstaat
Nijptang, klauwhamer, flesopener, schaar, notenkraker zijn allemaal gereedschappen die met by een
hefboom werken.
Hefboom kenmerken:
1 Draaipunt
2 Een korte uiteinde waar de werkkracht aangrijpt (F werk).
3 Een lang uiteinde waar de spierkracht aangrijpt (F spier).
Het draaipunt kan op 3 verschillende plekken ten opzichte van de aangrijpingspunten van de
spierkracht en van de werkkracht liggen:
• Het draaipunt tussen werkkracht en de spierkracht in
• Het draaipunt zit aan het uiteinde en de werkkracht zit tussen het draaipunt en de
spierkracht in.
• Het draaipunt zit aan het uiteinde en de spierkracht zit tussen het draaipunt en de
werkkracht in.
De afstand tussen het draaipunt en de spierkracht heet de arm van de kracht, de arm van de kracht
is de kortste van het draaipunt tot de werklijn van de kracht. De werklijn van de kracht is de lijn
waarlangs de kracht werkt. Hoe groter de arm van de spierkracht, hoe groter de werkkracht.