Staatsrecht 2017 -2018
Week 4: Bestuur en parlementaire controle
Literatuur
- P.P.T. Bovend’Eert, ‘De Eerste Kamer en de kabinetsformatie: afzijdig of
betrokken?’, Tijdschrift voor Constitutioneel Recht 2011, nr. 4, p. 381-391.
(oude reader: p. 260-270)
- P.P.T. Bovend’Eert en H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement,
Deventer: Kluwer 2017, p. 445-449. (‘monisme of dualisme’)
- P.P.T. Bovend’Eert en H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement,
Deventer: Kluwer 2017, p. 478-483. (‘overleg met de fracties’)
- Rapport van de eerste externe commissie Ministeriële
Verantwoordelijkheid (commissie-Scheltema), Steekhoudend
ministerschap, Kamerstukken II 1992/93, 21 427, nrs. 40 en 41, p. 7-17.
(hoofdstuk 2)
- Van der Pot. Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, bew. door D.J.
Elzinga, R. de Lange en H.G. Hoogers, Deventer: Kluwer 2014, p. 649-657.
- Van der Pot. Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, bew. door D.J.
Elzinga, R. de Lange en H.G. Hoogers, Deventer: Kluwer 2014, p. 784-796.
- H.G. Warmelink, ‘Gekozen bestuur: democratie op haar smalst’, in: J.W.M.
Engels en M. Nap (red.), De ontwikkeling en toekomst van de
vertegenwoordigende democratie, Deventer: Kluwer 2003, ISBN
9013017541, p. 141-150 (tot par. 4)
Leerdoelen
Na het bestuderen van het onderwijsmateriaal en het volgen van deze
werkgroep:
(A) kunt u de termen monisme en dualisme toepassen in relatie tot de
juridische en politieke verhouding tussen regering en parlement;
(B) hebt u inzicht in de werking van de vertrouwensregel als onderdeel van
het parlementaire stelsel; kunt u verbanden leggen tussen de werking van
de vertrouwensregel en de procedure van de kabinetsformatie en kunt u
analyseren hoe de positie van de Eerste Kamer in dit verband verschilt van
die van de Tweede Kamer;
(C) hebt u inzicht in de werking van het regeerakkoord en de invloed die
daarvan uitgaat op de verhouding tussen regering en parlement; u kunt
daarbij onderscheid maken tussen de positie van de Tweede en van de
Eerste Kamer;
(D) hebt u inzicht in de werking van het instrument van Kamerontbinding
als onderdeel van het parlementaire stelsel en kunt u onderscheid maken
tussen verschillende redenen die tot ontbinding kunnen leiden;
(E) kent u de positie van de minister-president in het Nederlandse
parlementaire stelsel, kunt u uitleggen hoe deze positie tot uitdrukking
komt in de Grondwet en het RvOMR; kunt u verbanden kunnen leggen
tussen de wijze waarop de minister-president wordt aangesteld (verkozen
of benoemd) en kent u zijn relatie tot andere organen;
(F) kent u de inhoud en functie van het leerstuk van de politieke
ministeriële verantwoordelijkheid en kunt u dit leerstuk kunnen toepassen
, in een concrete casus; weet u hoe de politieke ministeriële
verantwoordelijkheid zich verhoudt tot het inlichtingenrecht en de
vertrouwensregel;
(G) kent u het belang van parlementaire controle en op welke wijze het
staatsrecht deze controle mogelijk maakt (o.a. het inlichtingenrecht en het
recht van enquête); kunt u de staatsrechtelijke regels inzake het
inlichtingenrecht en het recht van enquête toepassen in een concrete
casus.
Week 4: Bestuur en parlementaire controle
Literatuur
- P.P.T. Bovend’Eert, ‘De Eerste Kamer en de kabinetsformatie: afzijdig of
betrokken?’, Tijdschrift voor Constitutioneel Recht 2011, nr. 4, p. 381-391.
(oude reader: p. 260-270)
- P.P.T. Bovend’Eert en H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement,
Deventer: Kluwer 2017, p. 445-449. (‘monisme of dualisme’)
- P.P.T. Bovend’Eert en H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement,
Deventer: Kluwer 2017, p. 478-483. (‘overleg met de fracties’)
- Rapport van de eerste externe commissie Ministeriële
Verantwoordelijkheid (commissie-Scheltema), Steekhoudend
ministerschap, Kamerstukken II 1992/93, 21 427, nrs. 40 en 41, p. 7-17.
(hoofdstuk 2)
- Van der Pot. Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, bew. door D.J.
Elzinga, R. de Lange en H.G. Hoogers, Deventer: Kluwer 2014, p. 649-657.
- Van der Pot. Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, bew. door D.J.
Elzinga, R. de Lange en H.G. Hoogers, Deventer: Kluwer 2014, p. 784-796.
- H.G. Warmelink, ‘Gekozen bestuur: democratie op haar smalst’, in: J.W.M.
Engels en M. Nap (red.), De ontwikkeling en toekomst van de
vertegenwoordigende democratie, Deventer: Kluwer 2003, ISBN
9013017541, p. 141-150 (tot par. 4)
Leerdoelen
Na het bestuderen van het onderwijsmateriaal en het volgen van deze
werkgroep:
(A) kunt u de termen monisme en dualisme toepassen in relatie tot de
juridische en politieke verhouding tussen regering en parlement;
(B) hebt u inzicht in de werking van de vertrouwensregel als onderdeel van
het parlementaire stelsel; kunt u verbanden leggen tussen de werking van
de vertrouwensregel en de procedure van de kabinetsformatie en kunt u
analyseren hoe de positie van de Eerste Kamer in dit verband verschilt van
die van de Tweede Kamer;
(C) hebt u inzicht in de werking van het regeerakkoord en de invloed die
daarvan uitgaat op de verhouding tussen regering en parlement; u kunt
daarbij onderscheid maken tussen de positie van de Tweede en van de
Eerste Kamer;
(D) hebt u inzicht in de werking van het instrument van Kamerontbinding
als onderdeel van het parlementaire stelsel en kunt u onderscheid maken
tussen verschillende redenen die tot ontbinding kunnen leiden;
(E) kent u de positie van de minister-president in het Nederlandse
parlementaire stelsel, kunt u uitleggen hoe deze positie tot uitdrukking
komt in de Grondwet en het RvOMR; kunt u verbanden kunnen leggen
tussen de wijze waarop de minister-president wordt aangesteld (verkozen
of benoemd) en kent u zijn relatie tot andere organen;
(F) kent u de inhoud en functie van het leerstuk van de politieke
ministeriële verantwoordelijkheid en kunt u dit leerstuk kunnen toepassen
, in een concrete casus; weet u hoe de politieke ministeriële
verantwoordelijkheid zich verhoudt tot het inlichtingenrecht en de
vertrouwensregel;
(G) kent u het belang van parlementaire controle en op welke wijze het
staatsrecht deze controle mogelijk maakt (o.a. het inlichtingenrecht en het
recht van enquête); kunt u de staatsrechtelijke regels inzake het
inlichtingenrecht en het recht van enquête toepassen in een concrete
casus.