geneesmiddelen’
N.B. de antwoorden op de vragen zijn op de laatste pagina’s te vinden.
,Vraag 1 Albumine (12 pt)
Albumine is een eiwit dat in het bloedplasma voorkomt. Dit eiwit wordt gemaakt in de
lever en door spiegels van dit eiwit af te lezen, kun je ook inschatten hoe goed de
lever in het lichaam functioneert. Een onderzoeker wilt kijken of het mogelijk is om
een rattenvorm van albumine te laten produceren. De onderzoeker vindt een artikel
van Noguchi et al. waarin staat dat het RNA van albumine wordt geëxtraheerd uit de
lever door de guanidium thiocyanaat methode.
a. Wat moet de onderzoeker verder doen om de blauwdruk van dit eiwit in
handen te krijgen? (3 punten)
De onderzoeker ziet op internet in een verslag van een BA-204 student de volgende
zin: ‘ratten en mensen hebben beiden eukaryote cellen, waardoor de glycosylering
van het albumine-eiwit bij beiden vrijwel hetzelfde is.’
b. Leg uit of de zin in het verslag juist of onjuist is. (2 punten)
Er bestaan twee vormen van glycosylering: N-gelinkte glycosylering en O-gelinkte
glycosylering.
c. Waar vindt N-linkage en O-linkage plaats en staat de alcohol (OH-groep) aan
de linkerkant van het suikermolecuul bij N-linkage en O-linkage omhoog of
omlaag? (2 punten)
O Bij N-gelinkte glycosylering staat de alcoholgroep omhoog. N-gelinkte
glycosylering vindt enkel plaats in het golgi-apparaat.
O Bij N-gelinkte glycosylering staat de alcoholgroep omlaag. N-gelinkte
glycosylering vindt plaats in zowel het golgi-apparaat als in het ER.
O Bij O-gelinkte glycosylering staat de alcoholgroep omhoog. O-gelinkte
glycosylering vindt enkel plaats in het ER.
O Bij O-gelinkte glycosylering staat de alcoholgroep omlaag. O-gelinkte
glycosylering vindt plaats in zowel het golgi-apparaat als in het ER.
d. Wat voor invloed heeft de glycosylering van het humane albumine op de
oplosbaarheid en de stabiliteit? (2 punten)
, De onderzoeker vindt op addgene.org een DNA sequentie van een plasmide die
hoort bij humaan serum albumine (van 5’-kant naar 3’-kant):
GTGCCGAGGCACGAACCCAGTGGACATAAGCCTGTTCGGTTCGTAAGCTGTAA
TGCAAGTAGCGTATGCGCTCACGCAACTGGTCCAGAACCTTGACCGAACGCAG
CGGTGGTAACGGCGCAGTGGCGGTTTTCATGGCTTGTTATGACTGTTTTTTTGG
GGTACAGTCTATGCCTCGGGCATCCAAGCAGCAAGCGCGTTACGCCGTGGGTC
GATGTTTGATGTTATGGAGCAGCAACGATGTTACGCAGCAGGGCAGTCGCCCTA
AAACAAAGTTAAACATCATGGGGGAAGCGGTGATCGCCGAAGTATCGACTCAAC
TATCAGAGGTAGTTGGCGTCATCGAGCGCCATCTCGAACCGACGTTGCTGGCC
GTACATTTGTACGGCTCCGCAGTGGATGGCGGCCTGAAGCCACACAGCGATAT
TGATTTGCTGGTTACGGTGACCGTAAGGCTTGATGAAACAACGCGGCGAGCTTT
GATCAACGACCTTTTGGAAACTTCGGCTTCCCCTGGAGAGAGCGAGATTCTCCG
CGCTGTAGAAGTCACCATTGTTGTGCACGACGACATCATTCCGTGGCGTTATCC
AGCTAAGCGCGAACTGCAATTTGGAGAATGGCAGCGCAATGACATTCTTGCAGG
TATCTTCGAGCCAGCCACGATCGACATTGATCTGGCTAT
e. Ontwerp een forward en een reverse primer van beide 10 nucleotiden lang.
(2 punten)
De onderzoeker probeert het albumine-plasmide in CHO-cellen in te bouwen om
eiwit te laten produceren. Daarnaast wilt de onderzoeker dat er alleen CHO-cellen
overblijven die het plasmide hebben opgenomen.
f. Leg uit hoe de onderzoeker ervoor kan zorgen dat alleen CHO-cellen
overblijven die het juiste plasmide hebben opgenomen. (1 punt)