staat voor het boek farmacologie zorg en een (P); deze staat voor het boek pathologie.
De samenvatting is een combinatie van stof uit de opgegeven PowerPoints en literatuur, per week wordt er
gestart met de PowerPoint.
Succes!
Week 1: Veroudering
+ Tentamenstof:
• AF: §18.4 Sterven en dood p479/480
• P: §15.3 Osteoporose p351-353
• P: §15.4.1 - §15.4.4 Reuma p354-359
• F: H3 Bijwerkingen, interacties en farmacokinetiek van medicijnen p44-74
PP: Veroudering
Begrippen moet je kennen: gerontologie en geriatrie en wie zijn ouderen?
Dit laatste is natuurlijk heel relatief en er zijn veel definities en begrippen in omloop, wat ouderen nu
zijn/
,Vijftig tinten oud
Veel verklaringen voor:
Betere gezondheid in het algemeen
Beter gezondheidssysteem + toegangelijkheid
Betere diagnostiek en betere behandelingsmogelijkheden
Goede algemene hygiene
Cave: overgewicht en roken zijn belangrijke tegentrends om nog ouder te worden
Verandering in leefstijl
, Goede opleidingen en werk
Relatief weinig armoede
Regel voor levensverwachting
• 60 jaar: 18 jaar
• 70 jaar: 12 jaar
• 80 jaar : 6 jaar
Kenmerken van de oudere patiënt
• Leeftijd (biologische leeftijd/echte leeftijd)
• Complexe patiënt
• Kwetsbaarheid
– fysiologische reserves ↓+ compensaties↓
• Multimorbiditeit (≥ bijkomende ziekten)
• Geriatrische syndromen
• Polyfarmacie (meerdere medicijnen)
• Apart aandacht: bewegen en vallen
• Apart aandacht: zintuigen + communicatie
• Apart aandacht: Advanced care planning, kwaliteit leven
• Apart aandacht: Functioneren
• Hoge zorgbehoefte
Meest gebruikte definitie van frailty in onderzoek is deze definitie van Fried en Walston 1999.
Personen zijn frail wanneer drie van de 5 criteria aanwezig zijn.
De criteria zijn veel gebruikt in vele Amerikaanse onderzoeken en waren geassocieerd met allerlei
negatieve gevolgen zoals vallen, mobiliteitsafname, adl-beperking, opname in ziekenhuis en sterfte in
de CardioVascular Health Study en later in Women’s health and Aging studies (WHAS).
Belangrijke oorzaak van sterfte !!!
,Multimorbiditeit
• ≥ 2 bijkomende ziekten
Geriatrische sydromen
• Dementie
• Depressie
• Delier
• Duizeligheid
• Incontinentie
• Decubitus
• Mobiliteit
• Vallen
• Enzovoort
Wat is een syndroom?
Symptoomdiagnose:
Bij meeste ziekten in de huisarts praktijk wordt de diagnose gesteld op het niveau van de klacht en/of
een lichamelijke bevinding.
Deze diagnosen gaat gewoonlijk over of hebben een relatief gunstig en/of bekend verloop. Er mogen
geen alarmklachten zijn. We graven niet naar een oorzaak.
V.b. soms hoofdpijn, keer verkouden, even misselijkheid, geen zin vandaag, enzovoort.
Syndroom:
Vroeger werden veel ziekten vastgesteld door het samen nemen van de klachten bij de anamnese en
de bevindingen bij het lichamelijk onderzoek.
Deze diagnosen noemden we dan syndroom diagnosen ( een stel klachten en een stel lichamelijke
bevindingen bij elkaar).
Ook hier wisten we vaak niet wat de oorzaak was. Een voorbeeld was het syndroom van Down.
We wisten al heel lang hoe deze kinderen er uitzagen , welke lichamelijke problemen ze hadden en
ook bijvoorbeeld welke gedragsproblemen deze kinderen hadden.
Tegenwoordig weten we dat het een erfelijke ziekte is, meestal een trisomie 21 (3 chromosomen 21
i.p.v. 2 chromosomen 21).
Dus nu is het erfelijke diagnose, maar in de kliniek wordt het nog steeds het Syndroom van Down
genoemd.
Voorbeelden van huidige syndromen zijn bijvoorbeeld een depressie of hartfalen. Dit zijn dus klinische
beelden (wat je ziet).
, We zien deze klinische beelden en we moeten dan na gaan hoe het komt.
Bij een depressie gebruiken we hiervoor een verklaringsmodel. Bij hartfalen gaan we uitzoeken, wat
het onderliggende probleem is.
Geriatrische syndromen:
Dit is weer net even anders dan wat bedoeld wordt met het reguliere woord, syndroom.
Het gaat nu niet om het klinisch beeld, maar om het feit dat dit beeld door veel oorzaken kan worden
verklaard.
De oorzaken treden vaak in wisselende samenhang op maar geven dan het klinisch beeld.
Hier ligt de betenis van het woord syndroom dus op de vele mogelijke verklaringen en de combinaties
ervan om het klinisch beeld te verklaren
Wat zie je in de psychogeriatrie?
• Denk hierbij aan de volgende mensen:
– Depressie
– Delier
– Angststoornissen
– Persoonlijkheidsstoornissen, persoonlijkheidsverandering
– Dementie en andere cognitieve stoornissen
– Veranderd gedrag
Vallen en valpreventie
• CBO : Richtlijn Valincidenten
Polyfarmacie
• ≥ 2 medicijnen gebruiken (theorie)
• ≥ 5 medicijnen gebruiken (praktijk)
Veroudering theorieën
• Biologische theorieën
• Ontwikkelingstheorieën
– Geprogrammeerde levensduur
• Degeneratieve theorieën
• Degeneratietheorieën
• Vrijeradicalentheorieen
Ontstaan als bijproduct v/d energievoorziening