Begrippenlijst domein F
Arbeid
Arbeid = Alle menselijke handelingen bij de productie, zowel door mensen in
loondienst als door zelfstandigen.
Arbeidsjaar = Het aantal uren dat iemand met een volledige baan in een jaar werkt.
Arbeidsaanbod = Alle werkenden en werkzoekende werklozen.
Arbeidsmarkt = Het geheel van vraag naar en aanbod van arbeidskrachten. Het
aanbod komt van de werknemers/arbeiders, de vraag komt van de werkgevers.
Arbeidsvraag = De totale vraag van particulieren bedrijven en de collectieve sector
naar arbeidskrachten: alle werkenden plus vacatures.
Stichting van de arbeid = Het landelijke overlegorgaan van de centrale organisaties
van werknemers en werkgevers.
Loon
Brutoloon = Het contractuele of afgesproken loon voor aftrek van belastingen en
premies.
Collectieve dwang = Verplichting die voor iedereen geldt vanwege overheidsregels of
collectieve contractuele afspraken.
Loon = De prijs van arbeid op de arbeidsmarkt.
Loonkosten = Brutoloon plus premies sociale lasten voor de werkgevers (premie
WW, WIA en pensioenbijdrage voor rekening van de werkgever) die de
arbeidskosten verhogen.
Loonkosten per eenheid product = De loonkosten gedeeld door de productieomvang
of: het gemiddelde loon gedeeld door de gemiddelde arbeidsproductiviteit. Indexcijfer
loonkosten p.e.p.: indexcijfer loon(kosten) / indexcijfer arbeidsproductiviteit x 100.
Stijgt het loon in % harder dan de arbeidsproductiviteit in % stijgt, dan worden de
loonkosten p.e.p. hoger.
Loonruimte = De loonruimte is de maximale stijging van de lonen zonder dat de
winsten, ten opzichte van de lonen, dalen. Indexcijfer loonruimte = (indexcijfer
arbeidsproductiviteit x indexcijfer verkoopprijzen) / 100.
Loonstarheid = Het verschijnsel dat lonen nauwelijks, of traag, reageren op
marktveranderingen.
Minimumloon = Het minimale loon dat werknemers wettelijk moeten verdienen.
Arbeid
Arbeid = Alle menselijke handelingen bij de productie, zowel door mensen in
loondienst als door zelfstandigen.
Arbeidsjaar = Het aantal uren dat iemand met een volledige baan in een jaar werkt.
Arbeidsaanbod = Alle werkenden en werkzoekende werklozen.
Arbeidsmarkt = Het geheel van vraag naar en aanbod van arbeidskrachten. Het
aanbod komt van de werknemers/arbeiders, de vraag komt van de werkgevers.
Arbeidsvraag = De totale vraag van particulieren bedrijven en de collectieve sector
naar arbeidskrachten: alle werkenden plus vacatures.
Stichting van de arbeid = Het landelijke overlegorgaan van de centrale organisaties
van werknemers en werkgevers.
Loon
Brutoloon = Het contractuele of afgesproken loon voor aftrek van belastingen en
premies.
Collectieve dwang = Verplichting die voor iedereen geldt vanwege overheidsregels of
collectieve contractuele afspraken.
Loon = De prijs van arbeid op de arbeidsmarkt.
Loonkosten = Brutoloon plus premies sociale lasten voor de werkgevers (premie
WW, WIA en pensioenbijdrage voor rekening van de werkgever) die de
arbeidskosten verhogen.
Loonkosten per eenheid product = De loonkosten gedeeld door de productieomvang
of: het gemiddelde loon gedeeld door de gemiddelde arbeidsproductiviteit. Indexcijfer
loonkosten p.e.p.: indexcijfer loon(kosten) / indexcijfer arbeidsproductiviteit x 100.
Stijgt het loon in % harder dan de arbeidsproductiviteit in % stijgt, dan worden de
loonkosten p.e.p. hoger.
Loonruimte = De loonruimte is de maximale stijging van de lonen zonder dat de
winsten, ten opzichte van de lonen, dalen. Indexcijfer loonruimte = (indexcijfer
arbeidsproductiviteit x indexcijfer verkoopprijzen) / 100.
Loonstarheid = Het verschijnsel dat lonen nauwelijks, of traag, reageren op
marktveranderingen.
Minimumloon = Het minimale loon dat werknemers wettelijk moeten verdienen.