Gebaseerd op hoorcolleges KP (en soms aanvulling literatuur)
Succes met het tentamen!! 😊
, Algemene hoorcolleges 1 t/m 4 ------------------------------------------------------------------------------------
1. Wat is de correcte volgorde van de empirische cyclus?
a. Observatie – inductie – deductie – evaluatie – toetsting
b. Observatie – inductie – evaluatie – deductie – toetsing
c. Observatie – deductie – inductie – toetsing – evaluatie
d. Observatie – inductie – deductie – toetsing – evaluatie
2. Welke stelling(en) is/zijn juist?
I: Inductie is het opstellen van hypothesen
II: deductie is het uitwerken van een opzet
a. Alleen stelling I is juist
b. Alleen stelling II is juist
c. Beide stellingen zijn juist
d. Beide stellingen zijn onjuist
3. Het in kaart brengen van de volgende onderwerpen: de aard en ernst van specifieke
klachten alsmede luxerende factoren (wat deed de emmer overlopen?), is een voorbeeld
van?
a. Speciële anamnese
b. Heteroanamnese
c. Psychiatrische anamnese
d. Biografische anamnese
4. “Welke persoonlijkheidskenmerken zijn van invloed op de klachten van de cliënt?’’ Is
een voorbeeld van een …
a. Onderkennende vraag
b. Verklarende vraag
c. Indicerende vraag
d. Predictieve vraag
5. Wat zijn de basisprincipes van het diagnostisch proces?
a. Integriteit, verantwoordelijkheid, respect en deskundigheid
b. Doorzichtigheid, respect en deskundigheid
c. Deskundigheid, verantwoordelijkheid en respect
d. Doorzichtigheid, respect, verantwoordelijkheid en deskundigheid
6. Welke stelling(en) is/zijn juist?
I: Introversie en extraversie zijn voorbeelden van supertraits
II: wekelijks parachutespringen is een voorbeeld van specifiek gedrag
a. Alleen stelling I is juist
b. Alleen stelling II is juist
c. Beide stellingen zijn juist
d. Beide stellingen zijn onjuist
7. De theorie van Block beschrijft hoe een bepaalde combinatie van
persoonlijkheidstrekken interacteren met stress. Hieruit vloeien drie typen: veerkracht,
overcontrole en ondercontrole. Welke combinatie persoonlijkheidskenmerken behoren
tot veerkracht?
a. Lage extraversie, hoge agreeableness
b. Lage neuroticisme, hoge consciëntieusheid en extraversie