HC 1: INLEIDING COMMUNICATIE
WAAROM IS GOEDE COMMUNICATIE BELANGRIJK?
Informatie verwerven
• Anamnestische informatie verkrijgen
• Informatie over tandheelkundige voorkennis verkrijgen
• Stressniveau/ bevattingsniveau van patiënt helder krijgen
Informatie geven
• Patiënt motiveren
• Voorlichting geven
• Therapietrouw realiseren
• Autonomie van patiënt waarborgen
NIVEAUS VAN COMMUNICATIE
Inhoudsniveau: de woordelijke of concrete inhoud van een boodschap
Ø Let op het gebruik van vakjargon
Relatie- of betrekkingsniveau: betreft de relatie tussen de communicerenden en hoe het bericht moet worden opgevat
Ø Vaak impliciet en non-verbaal
Ø Vereist extra aandacht en communicatieve gevoeligheid
NON-VERBALE EN VERBALE COMMUNICATIE
Non-verbale communicatie
Ø Geeft info over de gevoelens/ de gedachten achter de boodschap of die de boodschap vergezellen
(=betrekkingsniveau).
Ø Is ambigue, voor meerdere uitleg vatbaar. Er zijn verschillen tussen mensen, maar ook veel overeenkomsten
tussen mensen in dezelfde cultuur.
Verbale communicatie, gesprekstechnieken
Doel Middel Valkuil
1. Volgen Interactie bevorderen, Open vragen, exploratief Verzanden, praatpaal
erkennen van probleem, doorvragen, bekrachtigen,
exploreren van het parafraseren, gevoelsreflecties
referentiekader van de patiënt
2. Sturen Verkrijgen van specifieke Regie in handen nemen, Te veel eigen spoor
informatie, ordenen van samenvatten, gesloten vragen, volgen, belangrijke
informatie m.b.v. nieuwe informatie vragen informatie mislopen,
tandheelkundig referentiekader passieve patiënt
3. Toetsen Bevestiging zoeken van eigen Gesloten vragen Belangrijke informatie
hypothese, patiënt actief laten mislopen, te snel en te
blijven, voorkomen van direct toetsen waardoor
miscommunicatie je weerstand oproept
,HC 2: ANAMNESTISCHE GESPREKSVOERING
HET (EERSTE) CONSULT
1. Introductie: voorstellen en plan van vandaag
2. Persoonsgegevens: kort en bondig, altijd checken
3. Anamnese
a. Vraagverheldering vanuit het perspectief van de patiënt
b. Thema’s vanuit het perspectief van de tandarts
4. Mondonderzoek
5. Bevindingen bespreken
DE ANAMNESE
De anamnese bestaat uit:
• Vraagverheldering: het in kaart brengen van eventuele problemen en het vaststellen van de vraag
Ø Om tot een goede afstemming met de patiënt te komen is het nodig dat de context van het contact of
de klacht voor de tandarts duidelijk wordt.
Ø Dit houdt in dat we de klacht en de mondgezondheid van de patiënt niet benaderen vanuit het
biologisch model maar vanuit het biopsychosociale model.
• Tandheelkundige anamnese
o Status praesens
o Mondhygiëne- en voedingsanamnese
• Medische anamnese – algemene gezondheid
Gesprekstechnieken bij de anamnese
Vraagverheldering - Vooral volgen
- Zo nodig reguleren met toetsen en sturen
Mondhygiëne- en voedingsanamnese - Open vragen
- Doorvragen
- Sturende en toetsende vragen om te concretiseren
MONDONDERZOEK
De hypothese en voorlopige diagnose formuleer je vooral vóór het mondonderzoek.
Vaak is het mondonderzoek nodig om je idee bevestigd te zien.
Ø De definitieve diagnose stel je erna.
BEVINDINGEN BESPREKEN
Na de mondeling afgenomen anamnese en het mondonderzoek:
• Bespreken van de bevindingen
o Als de verwachtingen van de patiënt anders waren, benoem dat dan
• Bespreken van het plan van aanpak
o Sluit opnieuw aan bij de vraag of klacht van de patiënt; niet alleen wat er moet gebeuren maar ook wat
je daarmee verwacht te bereiken
Je voert het gesprek terwijl je op ooghoogte zit en koppelt geen informatie terug boven de mond.
HET BIOPSYCHOSOCIALE MODEL
SCEGS:
• Somatische dimensie of Situatie
• Psychologische dimensie
o Cognitieve component
o Emotionele component
o Gedragscomponent
• Sociale omgevingsdimensie
, Situatie of somatiek
Ø Wat is de situatie?
Ø Heeft de patiënt een klacht, pijn of last?
Cognities
Ø Welke gedachten of verklaringen heeft de patiënt zelf over zijn tandartsbezoek?
Ø Welke gedachten of verklaringen heeft de patiënt zelf over zijn klacht?
Ø Wat is zijn eigen indruk van het gebit en de mondverzorging?
Ø Wat verwacht de patiënt van de tandarts?
Emoties
Ø Wat roept het voor controle naar de tandarts gaan voor emoties op?
Ø Welke emoties roept de klacht op? Dit wordt vaak al duidelijk bij het navragen van de cognities
Gedrag
Ø Wat doet de patiënt om zijn (mond)gezondheid op peil te houden?
Ø Heeft de patiënt iets gedaan met eerdere adviezen?
Ø Wat doet de patiënt nu t.a.v. de klacht?
Ø Wat doet de patiënt anders of niet meer door de klacht?
Sociale omgeving
Ø Heeft de omgeving invloed op het mondzorggedrag van de patiënt?
Ø Wat is de reactie of mening van de omgeving op de klacht of het klachtgedrag?
BIOLOGISCH-MEDISCH VS. BIOPSYCHOSOCIAAL MODEL
Biologisch-medisch model Biopsychosociaal model
Somatiekgericht Persoonsgericht
• Arts is expert • Patiënt is expert
• Patiënt is passief en afhankelijk • Patiënt is actief en meewerkend
• Verantwoordelijkheid ligt bij de arts • Patiënt is medeverantwoordelijk
• Leidt tot lage self-efficacy • Gedrag en sociale omgeving hebben een rol in
• De medische oorzaak is hetgeen telt de klachten