Toets: baas/expert baas
In het ondernemingsplan beschrijft de startende ondernemer gedetailleerd alle plannen, zoals de
beschrijving van het product of de dienst, de doelgroep, de prijs, de markt en de concurrentie en de
verwachtte financiële prestaties van de onderneming. Het ondernemingsplan heeft een tweetal
functies:
Toetsing: Met het ondernemingsplan toetst de ondernemer hoe realistisch zijn plan is en hoe
groot de kans op succes is. Hierbij gaat het om vragen als: Is er voldoende markt, hoe sterk is
de concurrentie, hoe groot is de benodigde investering, en hoe snel kan deze investering
terugverdiend worden.
Financiering: Het ondernemingsplan is het middel om financierders, zoals banken of andere
investeerders, te overtuigen om een lening te verstrekken om de onderneming te beginnen.
Investeringsplan: inventaris, bar, kasgeld, vooruitbetaalde huur
Financieringsplan: eigen spaargeld, lening ouders,
Geen huurkosten, of personeelskosten
Financieringsgat: het verschil wat ontstaat bij investering – financiering.
Resultatenrekening ook wel winst-en-verliesrekening, exploitatierekening of staat van baten en
lasten genoemd.
omzet en kosten in een periode maar nog niet per se ontvangen
Functionele methode/indeling: de kosten ingedeeld naar de functie die deze kosten hebben binnen
de organisatie, zoals huisvesting, productie, verkoop, inkoop, etc.
Categorale methode/indeling: Bij deze methode worden de kostensoorten ingedeeld naar de aard
van de kosten, zoals huurkosten, kosten elektra en afschrijvingen.
Bruto omzetresultaat: omzet (ex btw) – kostprijs verkopen
Totale kosten: huisvestingskosten, verkoopkosten, overige bedrijfskosten
Perioderesultaat: Bruto omzetresultaat – alle kosten
Netto winst: periode resultaat – financiële baten en lasten = Netto winst voor belasting
Winst voor belasting – belasting = netto winst na belasting.
Liquiditeitsoverzicht inkomsten en uitgaven (geld) fysiek wat je echt bezit in een bepaalde periode.
Eerst opbrengsten onder elkaar en dan de uitgaven onder elkaar.
Liquiditeitspositie = Deze wordt gedefinieerd als de mate waarin een onderneming aan haar
lopende betalingsverplichtingen kan voldoen.
Kwaliteit van winst = Bijvoorbeeld kan het betalingsgedrag van klanten bekeken worden
Financiering van activiteiten = inzicht in de manier waarop activiteiten worden gefinancierd.
Het geeft aan of dit met eigen middelen of juist met leningen gebeurt.
De liquiditeitsbegroting is een overzicht van de toekomstige inkomende geldstromen (ontvangsten)
en uitgaande geldstromen (uitgaven) van een onderneming. Uit de liquiditeitsbegroting kan namelijk
worden afgeleid wanneer de onderneming een negatief banksaldo verwacht. De liquiditeitsbegroting is
een opsomming van een aantal liquiditeitsoverzichten naast elkaar.
(Loon k per weknemer = personeelskosten / loonkosten per werknemer = 8.8 = 9)
Ingekochte voorraad op rekening behoort niet tot de uitgaven (crediteuren)
Netto ontvangsten = totale opbrengsten – totale uitgaven
Eindsaldo liquide middelen = beginsaldo + netto ontvangsten
Omzet = aantal verkochte producten(afzet) * verkoopprijs (ex OB)
Kostprijs verkopen = aantal verkochte producten (afzet) * kostprijs
, Financiering & Externe Verslaggeving
Brutomarge = omzet – kostprijs verkopen
Brutomarge (%omzet) = (omzet-kostprijs verkopen) / omzet * 100
Brutowinst / omzet * 100
Directe kosten = kosten die je rechtstreeks toe kan rekenen aan een product
Indirecte kosten = kosten die je niet kan toerekenen aan een product.
Variabele directe kosten = grondstofkosten, verpakkingskosten, provisiekosten verkoop
Variabele indirecte kosten = distributiekosten bij vervoer meerdere producten, energiekosten voor
fabriek.
Constante/vaste directe kosten = afschrijvingskosten van machine, personeelskosten product A,
marketing kosten product A
Constante/vaste indirecte kosten = personeelskosten van management/administratie,
afschrijvingskosten gebouw, financieringskosten (rente)
Kostprijs = een opsomming van kosten van 1 product vervaardigen. (vooraf berekend voorcalculatie)
Inkoopwaarde verkopen: de waarde van de verkochte goederen tegen de inkoopprijs.
Grondstofkosten: de kosten van grond- en hulpstoffen die gebruikt voor productie.
Voorraadkosten: kosten voor het kopen (bestellen), opslaan en verzekeren van grond- en
hulpstoffen, halffabricaten en eindproducten.
Bij berekenen van de voorraad (begin – eind +/- verkopen of inkopen)
Arbeidskosten: vergoeding voor de geleverde arbeid door de werknemers.
Afschrijvingskosten: de waardeverminderingen van vaste activa door slijtage en ouderdom.
Kosten voorziening: het opbouwen van voorzieningen voor toekomstige uitgaven wordt in de
resultatenrekening als kostenpost aangemerkt.
Kosten diensten derden: kosten voor geleverde diensten door bijvoorbeeld accountants, transport,
verzekeringen en opslag.
Belastingen: een onderneming kan met diverse belastingen te maken krijgen. Een voorbeeld van
belasting die als kosten moeten worden genomen is de winstbelasting
Vermogenskosten: kosten die betrekking hebben op de financiering van bedrijfsactiviteiten. Denk
bijvoorbeeld aan rentekosten.
Opbrengsten = verkoop van goederen en diensten in een bepaalde periode.
Stuurt een factuur naar een klant maar je hebt het geld nog niet ontvangen
Moet de onderneming inspanning voor lever (producten/diensten)
Resultatenrekening, W/V-rekening
Ontvangsten = geldstromen die binnen komen in een bepaalde periode. (lening)
Geld is ontvangen direct!
Liquiditeitsoverzicht
Kosten = hebben betrekking op een inspanning die plaatsvindt in de periode waarover gerapporteerd
wordt. Maakt niet uit of kosten vooruitbetaald zijn of achteraf betaald zullen worden.
Kostprijs verkopen
Afschrijvingskosten
Kosten die in de desbetreffende periode vallen
Rente kosten 1e kwartaal, maand, jaar
Uitgaven = alle uitgaande geldstromen van de onderneming in een bepaalde periode. Zoals
investeringen en afbetalen van een lening. Uitgaven hebben geen invloed op de waarde van de
onderneming.