OEFENVRAGEN UIT PEARSONEDUCATION.NL
HOOFDSTUK I: EEN INLEIDING IN DE ONTWIKKELING VAN HET KIND
Q1: Welke benadering binnen de ontwikkelingspsychologie kijkt naar intellectuele vermogens, waaronder
leren en het geheugen?
a. Fysieke ontwikkeling
b. Cognitieve ontwikkeling
c. Sociale ontwikkeling
d. Alle hierboven genoemde benaderingen
Q2: De leeftijdscategorieën die onderzoekers van ontwikkeling bij kinderen bestuderen, zijn onderverdeeld
op basis van nauwkeurige studies naar de ontwikkeling in de verschillende leeftijdscategorieën.
a. Waar
b. Niet waar
Q3: Het vakgebied van ontwikkelingspsychologie bestaat uit drie hoofdthema’s: fysieke ontwikkeling,
cognitieve ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling.
a. Waar
b. Niet waar
Q4: Het is waarschijnlijk dat de ontwikkeling van kinderen die in New York woonden tijdens de aanslag op het
World Trade Center, is beïnvloed door:
a. Normatieve historische bepaalde invloed
b. Niet-normatieve gebeurtenis in het leven
c. Normatieve leeftijdsgebonden invloed
d. Normatieve sociocultureel bepaalde invloed
Q5: Sams moeder legde in de loop van zijn kindertijd alle mijlpalen in zijn ontwikkeling vast. Dit illustreert het
beste:
a. Het overnemen van vooroordelen
b. Kinderontwikkeling als wetenschappelijk discipline
c. Een babybiografie
d. De opvatting dat kinderen miniatuurvolwassenen zijn
Q6: Waarom is het concept plasticiteit belangrijk voor de ontwikkeling van kinderen?
a. Daarmee ligt de nadruk minder op de kritieke ontwikkelingsperioden
b. Het helpt de kwestie nature-nurture verhelderen
c. Het is een weerlegging van de opvatting dat mensen zich levenslang ontwikkelen
d. Het is een manier om continue versus discontinue te verklaren
Q7: Erfelijke eigenschappen kunnen de omgeving van kinderen mede vormgeven
a. Waar
b. Niet waar
, HOOFDSTUK 2: THEORETISCHE PERSPECTIEVEN EN ONDERZOEK
Q1: Als je een groep studenten vertelt over de vier omgevingsniveaus van het bio-ecologisch model, leg je het
microsysteem uit als:
a. De directe omgeving waarin kinderen hun dagelijks leven doorbrengen
b. De maatschappij in het algemeen
c. De directe en indirecte banden die ons met elkaar verbinden
d. Bredere maatschappelijke instituten zoals de gemeenschap, lokale overheden en de media
Q2: Hedendaagse onderzoekers, die geheugen en leren bestuderen, suggereren dat we herinneringen
hebben, waarvan we ons niet bewust zijn, die een belangrijke invloed hebben op ons gedrag. Dit ondersteunt
de:
a. Contextuele theorie
b. Cognitieve theorie
c. Psychodynamische theorie
d. Psychosociale theorie
Q3: Een vorm van leren, waarbij een willekeurige respons wordt versterkt of verzwakt, afhankelijk van het
feit of het gevolgd wordt door positieve of negatieve consequenties, staat bekend als:
a. Instrumentele conditionering
b. Operante conditionering
c. Gedragsmodificatie
d. Klassieke conditionering
Q4: Dr. Sanchez is een sociobioloog die beweert dat Vygotsky’s nadruk op de rol van cultuur en sociale
ervaringen ertoe leidt dat de invloed van biologische factoren op ontwikkeling worden genegeerd.
a. Waar
b. Niet waar
Q5: Volgens Erikson omvat de ... ontwikkeling zowel veranderingen in hoe individuen zichzelf zien als leden
van de maatschappij, als in hun begrip van de betekenis van het gedrag van anderen:
a. Psychoseksuele
b. Psychosociale
c. Psychocognitieve
d. Psychoculturele
HOOFDSTUK I: EEN INLEIDING IN DE ONTWIKKELING VAN HET KIND
Q1: Welke benadering binnen de ontwikkelingspsychologie kijkt naar intellectuele vermogens, waaronder
leren en het geheugen?
a. Fysieke ontwikkeling
b. Cognitieve ontwikkeling
c. Sociale ontwikkeling
d. Alle hierboven genoemde benaderingen
Q2: De leeftijdscategorieën die onderzoekers van ontwikkeling bij kinderen bestuderen, zijn onderverdeeld
op basis van nauwkeurige studies naar de ontwikkeling in de verschillende leeftijdscategorieën.
a. Waar
b. Niet waar
Q3: Het vakgebied van ontwikkelingspsychologie bestaat uit drie hoofdthema’s: fysieke ontwikkeling,
cognitieve ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling.
a. Waar
b. Niet waar
Q4: Het is waarschijnlijk dat de ontwikkeling van kinderen die in New York woonden tijdens de aanslag op het
World Trade Center, is beïnvloed door:
a. Normatieve historische bepaalde invloed
b. Niet-normatieve gebeurtenis in het leven
c. Normatieve leeftijdsgebonden invloed
d. Normatieve sociocultureel bepaalde invloed
Q5: Sams moeder legde in de loop van zijn kindertijd alle mijlpalen in zijn ontwikkeling vast. Dit illustreert het
beste:
a. Het overnemen van vooroordelen
b. Kinderontwikkeling als wetenschappelijk discipline
c. Een babybiografie
d. De opvatting dat kinderen miniatuurvolwassenen zijn
Q6: Waarom is het concept plasticiteit belangrijk voor de ontwikkeling van kinderen?
a. Daarmee ligt de nadruk minder op de kritieke ontwikkelingsperioden
b. Het helpt de kwestie nature-nurture verhelderen
c. Het is een weerlegging van de opvatting dat mensen zich levenslang ontwikkelen
d. Het is een manier om continue versus discontinue te verklaren
Q7: Erfelijke eigenschappen kunnen de omgeving van kinderen mede vormgeven
a. Waar
b. Niet waar
, HOOFDSTUK 2: THEORETISCHE PERSPECTIEVEN EN ONDERZOEK
Q1: Als je een groep studenten vertelt over de vier omgevingsniveaus van het bio-ecologisch model, leg je het
microsysteem uit als:
a. De directe omgeving waarin kinderen hun dagelijks leven doorbrengen
b. De maatschappij in het algemeen
c. De directe en indirecte banden die ons met elkaar verbinden
d. Bredere maatschappelijke instituten zoals de gemeenschap, lokale overheden en de media
Q2: Hedendaagse onderzoekers, die geheugen en leren bestuderen, suggereren dat we herinneringen
hebben, waarvan we ons niet bewust zijn, die een belangrijke invloed hebben op ons gedrag. Dit ondersteunt
de:
a. Contextuele theorie
b. Cognitieve theorie
c. Psychodynamische theorie
d. Psychosociale theorie
Q3: Een vorm van leren, waarbij een willekeurige respons wordt versterkt of verzwakt, afhankelijk van het
feit of het gevolgd wordt door positieve of negatieve consequenties, staat bekend als:
a. Instrumentele conditionering
b. Operante conditionering
c. Gedragsmodificatie
d. Klassieke conditionering
Q4: Dr. Sanchez is een sociobioloog die beweert dat Vygotsky’s nadruk op de rol van cultuur en sociale
ervaringen ertoe leidt dat de invloed van biologische factoren op ontwikkeling worden genegeerd.
a. Waar
b. Niet waar
Q5: Volgens Erikson omvat de ... ontwikkeling zowel veranderingen in hoe individuen zichzelf zien als leden
van de maatschappij, als in hun begrip van de betekenis van het gedrag van anderen:
a. Psychoseksuele
b. Psychosociale
c. Psychocognitieve
d. Psychoculturele