,Inhoudsopgave
Een paar grammaticale termen
Accentregel
Een erg belangrijke spellingsregel
A. Zelfstandige naamwoorden en lidwoorden
B. Bijvoeglijke naamwoorden
C. Vragende voornaamwoorden
D. Rangtelwoorden
E. Bijwoorden
F. Werkwoorden, presente de indicativo, futuro, condicional, gebiedende wijs
G. Er is / er zijn
H. Gebruik van gustar
I. Trappen van vergelijking
J. Voorzetsels
K. Aanwijzende voornaamwoorden
L. Bezittelijke voornaamwoorden
LL. Hoofdtelwoorden
M. Klokkijken
N. Maanden, dagen en jaargetijden
Ñ. Betrekkelijke voornaamwoorden
O. Presente perfecto / presente compuesto
P. Voorzetsel a voor het lijdend voorwerp
Q. Wederkerende werkwoorden
R. Persoonlijke voornaamwoorden van het lijdend voorwerp
,S. Aardrijkskunde
T. Pretérito indefinido
U. Pretérito imperfecto
V. Voorbeeldtekst met indefinido en imperfecto
W. Het weer, de hoofdwindstreken
X. Hace, hace que, desde, desde hace
Y. Perífrasis verbales
Z. Persoonlijke voornaamwoorden, overzicht
De subjuntivo
Werkwoordsvormen van de presente de subjuntivo
Gebruik van de subjuntivo
Werkwoordsvormen van de imperfecto de subjuntivo
Se-constructies
, Een paar grammaticale termen
Het werkwoord is dat gedeelte van de zin dat de handeling uitdrukt:
lopen, schrijven, pakken, sturen, geven, bevallen, interesseren.
Het werkwoord kan een infinitief zijn (het hele werkwoord) of bijvoorbeeld een voltooid deelwoord:
gelopen, geschreven, gepakt, gestuurd, gegeven, bevallen, geïnteresseerd.
Er moet in de zin in elk geval (ook) een persoonsvorm staan, dat wil zeggen een vervoegde werkwoordsvorm, die
persoonsvorm is afhankelijk van het onderwerp.
Het onderwerp is datgene wat of diegene die de handeling uitvoert:
Jan loopt naar huis. Vergelijk met Ik loop naar huis.
Zij schrijft een boek. Ik schrijf een boek.
Zij pakken de trein. Ik pak de trein.
Jullie sturen een bericht aan Piet. Ik stuur een bericht aan Piet.
Wij geven haar een stuk chocola. Ik geef haar een stuk chocola.
Dit medicijn bevalt me niet. Deze medicijnen bevallen me niet.
Ons interesseren deze boeken niet zoveel. Ons interesseert dit boek niet zoveel.
De werkwoordsvorm moet passen bij het onderwerp: Jan loopt is een andere vorm van het werkwoord lopen dan ik
loop. Aan de vorm van het werkwoord kun je zien dat zij schrijft een boek één meisje betreft en zij pakken de trein ove
meerdere personen gaat waarbij het feit of dat mannen of vrouwen zijn geen rol speelt.
Dit betekent dat werkwoorden vervoegd moeten worden.
Een werkwoord vervoegen is het maken van een werkwoordsvorm die past bij het onderwerp.
Ik geef hier alleen een voorbeeld in de tegenwoordige tijd:
ik koop
jij koopt
hij/zij koopt
wij kopen
jullie kopen
zij kopen