Hoorcollege 2 en 3 zijn alleen als een weblecture online gekomen. Ze zijn een soort van
samengevoegd, en daarom staan ze ook als één hoorcollege in de samenvatting.
Hoorcollege 2: Alveolen, surfactant, bronchioli, atelectase, pneumonie
Hoorcollege 3: Fysiologie van de ademhaling
Het plaatje hiernaast vat alles al mooi samen. Je ziet het
circulerende bloed wat door het hart wordt
rondgepompt. De rechterharthelft pompt zuurstofarm
bloed naar de longen. Hier wordt CO2 afgestaan en O2
opgenomen. Dit zuurstofrijke bloed komt dan via de
longvene (vena pulmonalis) in het linker atrium en het
linker ventrikel terecht. Het linker ventrikel pompt dit
zuurstofrijke bloed dan naar de rest van het lichaam.
Tijdens de vullingsfase heerst in het linker ventrikel een
lage druk. Om het hartklepje van het ventrikel naar de
aorta te openen, moet er eerst druk worden opgebouwd
(minstens de onderdruk in de aorta).
Respiratie = ademhaling in het weefsel
Ventilatie = het verversen van de lucht in je longen
Je ademhaling wordt continue bijgesteld aan de hand van
de CO2 spanning in je aorta. Dit wordt gemeten door
chemoreceptoren.
Op precies dezelfde plek in de aortaboog zitten ook
baroreceptoren. Deze meten de bloeddruk.
De bloeddruk is de cardiac output x de vaatweerstand. Je
kunt een te lage bloeddruk dus herstellen door de
vaatweerstand te verhogen, of je hart sneller te laten
kloppen.
Longen en de thoraxholte
De trachea vertakt zich in twee hoofdbronchiën. Om de long heen zitten allemaal dwarsgestreepte
spieren. Deze spieren kan je ook zelf aansturen (je kan even stoppen met ademhalen).
Elke long is door twee vliezen omgeven. Eén vlies zit aan de long zelf vastgeplakt. Dan krijg je de intra
pleurale holte. Daarbuiten zit weer een vlies wat vastgeplakt zit aan je ribben.
1
,Samenvatting HC Circulatie & Respiratie Iris Schoonderwaldt
De lucht moet natuurlijk helemaal je longen in. Via de luchtpijp, hoofdbronchus, secundaire- en
tertiaire bronchus, komt de lucht uiteindelijk in de bronchiole terecht. Dit zijn de allerfijnste takjes
net voor de longblaasjes (alveoli). Om de bronchiolen zit geen kraakbeen meer. Hier zou ook al
gasuitwisseling kunnen plaatsvinden. Je ziet wel dat er om de bronchiolen glad spierweefsel zit.
Onder invloed van het sympatische zenuwstelsel ontspannen deze, en onder invloed van het
parasympatische zenuwstelsel contraheren ze.
De longslagader vertakt zich tot hele kleine capillairen, die rondom de longblaasjes gaan liggen. Zo
kan er heel goed CO2 worden afgegeven en O2 worden opgenomen.
De capillairen liggen bijna meteen tegen
het longblaasje aan. Het gas hoeft zo
eigenlijk maar door twee cellagen: de
longcel en de endotheelcel. Tussen deze
twee lagen ligt een minieme ruimte die
wat vocht bevat. Als hier erg veel vocht
tussen zou zitten, zou vooral de zuurstof
passage worden belemmerd (want dit is
slecht wateroplosbaar). Om dit te
voorkomen heb je ook lymfevaten die dit
overtollige vocht afvoeren.
Ademhalen
Hoe krijg je lucht je longblaasjes in en
even later er weer uit? Dit kan door
de druk te laten variëren. De
buitenlucht heeft een druk van 1
atmosfeer (760 mm Hg). De druk in de
alveoli schommelt hier omheen.
Als de druk in de alveoli gelijk is aan
de atmosferische druk stroomt er
geen lucht in of uit. Als de druk in de
alveoli lager wordt stroomt er lucht
in, en als de druk hoger wordt
stroomt de lucht eruit.
2
,Samenvatting HC Circulatie & Respiratie Iris Schoonderwaldt
Deze drukregulatie kost natuurlijk energie. Dit doe je met alle spieren die om de longen heen zitten.
De belangrijkste spier is het diafragma. Als je deze aanspant plat hij af. De longen worden dan groter,
waardoor je een onderdruk creëert. De uitademing is passief.
Verder heb je ook nog intercostaal spiertjes. Deze kunnen nog de ribben omhoog en omlaag
bewegen, en zo helpen bij het ademen.
Tussen de twee pleurabladen heerst ook altijd een negatieve druk. Het elastische weefsel van de
longen trekt namelijk altijd naar binnen, en de ribben trekken naar buiten. Als hier dus ergens een
gaatje inkomt, krijg je een klaplong (pneumothorax).
O2 en CO2 spanning
1. Buitenlucht bevat eigenlijk geen CO2. De lucht die wordt ingeademd dus ook niet. (De 160
mm Hg staat voor 21% O2 in de lucht.)
2. In de longblaasjes verandert de samenstelling, door de gasuitwisseling. Ook heb je nog te
maken met dode ruimte. Deze bevat nog CO2.
3. In de longblaasjes heeft gaswisseling plaatsgevonden. Dit is net zolang doorgegaan totdat de
pO2 in de longader dezelfde waarde had als de pO2 in de longblaasjes. Hetzelfde geldt voor de
CO2 spanning. Er is kennelijk genoeg tijd en ruimte om dit evenwicht te bereiken (zie ook de
afbeelding hier rechts boven). De ventilatie in de alveoli is genoeg om de pO2 en pCO2
constant te houden.
4. In de arteriën vindt verder geen gaswisseling plaats en dus blijven de verhoudingen hetzelfde
als bij 3.
5. In de haarvaatjes heeft gaswisseling plaatsgevonden. Dit is net zo lang doorgegaan tot de
druk in de weefsels ongeveer gelijk is aan de druk in het bloed.
6. In de venen vindt verder geen gaswisseling plaats.
3
, Samenvatting HC Circulatie & Respiratie Iris Schoonderwaldt
7. Zie 6.
8. Uitgeademde lucht bevat ineens verhoudingsgewijs meer O2 en minder CO2. Ook dit heeft
weer met de dode ruimte te maken. Niet al het O2 uit de buitenlucht is in de longblaasjes
terecht gekomen.
Hoeveel zuurstof is er nou verbruikt? Je kijkt dan naar het verschil in zuurstof tussen ingeademde en
uitgeademde lucht. In dit geval is de ∆pO2 40 mm Hg. 40/760 mm Hg = 5,2%. Als je dan 5 L lucht hebt
ingeademd, is 5,2% van de ingeademde lucht 260 ml.
Je zou dan verwachten dat er ook 260 ml CO2 wordt geproduceerd. Maar dit is niet zo. Als je naar het
plaatje kijkt zie je dat er ongeveer 30 mm Hg CO2 wordt geproduceerd. Als je glucose verbrandt,
produceer je wel evenveel CO2 als dat je O2 verbruikt. Maar als je bijv. vetzuren verbrandt is dit niet
zo. Dan komt er minder CO2 uit. In het bovenstaande plaatje worden dus vetzuren verbrandt.
Waar hang diffusie vanaf?
A = diffusieoppervlak
D = constante
P1 – P2 = drukverschil
T = dikte van de wand
Hoeveel O2 komt het bloed binnen?
Bij een pO2 van 100 bevat 1 L bloed 3 ml
opgelost zuurstof. Als je per minuut 260 ml
zuurstof nodig hebt, zou je hart per minuut
ruim 87 L bloed moeten rondpompen. Dit is
natuurlijk niet te doen. Per minuut pompt je
hart maar ongeveer 5 L rond. De oplossing
hiervoor is hemoglobine! Elk hemoglobine
molecuul kan 4 zuurstof moleculen binden.
Je ziet dat bij een pO2 van 100 de verzadiging
van hemoglobine bijna 100% is. 20% van het
bloedvolume is dan zuurstof. 1 L bloed bevat
dan ineens 200 ml zuurstof.
Als het bloed in je weefsels aankomt daalt
de pO2 naar 40. Dan is nog maar 75% van
het hemoglobine verzadigd.
Hoeveel CO2 verlaat het bloed?
Voor elke liter bloed die door de longblaasjes stroomt, wordt er 4 ml CO2 afgegeven. Per minuut wil
je echter 230 ml CO2 afgeven. Hoe lossen we dit op? Dan komen we toch weer bij de rode bloedcel
terecht. Het CO2 gaat je bloedcel in. Een deel kan dan aan het hemoglobine binden (21%).
4