HF1 De Nederlandse weg naar vrijheid (1581 - 1848)
Paragraaf 1.1 De Nederlandse Opstand en de Republiek
Deelvraag: Hoe werkte het bestuurssysteem van de Republiek?
- 1581: Opstand: opstandige NL’se provincies zetten de Spaanse koning Filips II af als hun
vorst in het Plakkaat van Verlatinge: ‘Regeringen zijn er voor de burgers en regeringen die
de rechten van de burgers vertrappen, moeten verdwijnen.’ → zou later gebruikt worden in de
democratische revoluties in EU en Amerika.
- Gevolg opstand: provincies gaan verder als Republiek der Verenigde Nederlanden zonder
vorst → twee redenen:
1. Privileges: provincies hadden grotendeels een eigen onafhankelijk bestuur → Filips II
probeerde een meer centraal bestuur in te stellen met overal dezelfde wetten.
- Overal in de Republiek dus andere gewoonten en gebruiken:
- Steden & adel in gewesten regelden gemeenschappelijke zaken onderling in de
Staten.
- Gewesten regelden gemeenschappelijke zaken (defensie/buitenlandse politiek) in de
Staten-Generaal.
- Gevolg: besluiten pas genomen na langdurige vergaderingen → geen
heerser, dus iedereen ‘schikken en plooien’ → Republiek was een leerschool
voor de typisch NL’se vorm van democratie.
2. Godsdienst: vrijheid van godsdienstuiting → Filips II wilde het katholieke geloof beschermen en
het protestantisme uitroeien. Hij trad hard op tegen het calvinisme.
- 1579: opstandelingen sloten militair bondgenootschap tegen Filips: Unie van Utrecht →
overheid mocht niemand tot geloof dwingen → gewetensvrijheid bleef in Republiek bestaan,
maar niet alle godsdiensten hadden gelijke rechten:
- Calvinistische kerk (gereformeerd/hervormd): mochten alleen overheidsambten
bekleden.
- Katholieken: mochten geloof wel belijden, maar hun kerk was verboden.
- Calvijn leerde dat de overheid zich niet met de kerk moest bemoeien en alle gelovigen
moesten zelfstandig de Bijbel bestuderen → in NL minste analfabetisme → ontstaan
mentaliteit die binnen democratie past.
- In alle steden maakten de rijkere families nog wel een beetje de dienst uit: de regenten →
speelden elkaar bestuursfuncties toe.
- In middeleeuwen had lagere burgerij ook vaak nog invloed op het bestuur via de
gilden en de schutterij → was weinig van over gebleven.
- Republiek maakte toch een democratische indruk vergeleken met het buitenland:
- Boeken gedrukt die nergens anders werden gedrukt.
- Niemand werd vervolgd om zijn opvattingen.
- Vrouwen konden bijna altijd gaan en staan waar ze wilden → gelijkheid.
- Huispersoneel werd nauwelijks of nooit geslagen.
- Boeren waren in het grootste deel van het land vrij → geen verplichtingen.
- Geestelijke stand afgeschaft en adel alleen nog rol in het oosten.
- De rijke stedelijke burgerij overheerste.
- Meest verstedelijkte gebied van de wereld.
, Paragraaf 1.2 De democratische revolutie
Deelvraag: welke opvattingen hadden de 17e- en 18e eeuwse denkers over de relatie tussen staan
en onderdanen en welke veranderingen vonden plaats in het NL’se bestuur tussen 1781 - 1813?
- 19 januari 1795: regenten droegen direct de macht over aan het comité op de Dam in A’dam
→ Bataafse revolutie ging er rustig aan toe in vergelijking met de Franse revolutie → weinig
keus → Franse troepen waren de Republiek binnengedrongen.
- ± 1775: idee van volkssoevereiniteit begon in NL aan te slaan → regeerders hadden volgens
deze opvatting de macht gekregen van het volk, niet van God.
- Komt voor uit de verlichting (1760) → overal clubjes en weet ik veel wat opgericht
om verlichte ideeën te bespreken → nieuwe kijk op samenleving.
- Tot 18e eeuw geloofde men dat God alles regelde (rampen, heersers etc.) → ze
geloofden nu niet dat God die ongelijkheid had gewild, maar dat mensen van nature
vrij en gelijk waren.
- 2 bekende verlichte denkers in NL:
1. Engelsman John Locke:
- Ontwikkelde in de tijd dat hij in NL zat zijn politieke theorie ontwikkeld = de regering is
niet gebaseerd op Gods wil, maar op een contract met de samenleving.
- Mensen hebben natuurlijke rechten: recht op leven, vrijheid en bezit → voor
bescherming een regering vormen → moet mensen dwingen elkaars rechten te
respecteren → regering mag afgezet worden als ze zelf de natuurrechten bedreigt.
2. Montesquieu:
- Trias politica: in elke staat drie soorten machten: wetgevende, uitvoerende en
rechterlijke macht → niet in één hand anders zijn onderdrukking en onrecht
onvermijdelijk.
- Belangrijkste democratische schrijver = Jean-Jacques Rousseau:
- Mensen sluiten in de ideale staat een contract met elkaar → macht overdragen aan
gekozen volksvergadering → moest ‘de algemene wil’ uitvoeren.
- Werd tot 1780 bijna niet gelezen en zijn belangrijkste politieke boek was verboden.
- De democratische opvattingen kregen pas een krachtige impuls door de democratische
revolutie in Amerika → veel bewonderaars in NL.
- Grote invloed kreeg een pamflet dat onder de titel Aan het volk van NL op 26 september 1781
in alle grotere steden van de Republiek werd verspreid.
- Schrijver = Overijsselse baron Joan Derk van der Capellen tot den Pol → riep NL’ers
op zich te bewapenen en in verzet te komen tegen de tirannie van de machthebbers
→ ‘Alle mensen zijn vrij geboren, niet iedereen met dezelfde eigenschappen of
hoogtepunten, maar wel allemaal gelijk.
- Democratische verzetsbeweging → gewapende burgermilities die volksinvloed eisten:
patriotten → willen dat de bestuurders werden gekozen.
- Vooral de stadhouder kreeg veel verzet, ook van de regenten, omdat de macht van de
stadhouder hun zelfstandige macht aantastte → samenwerking met patriotten.
- Al snel was de helft van NL in handen van patriotten en sommige regenten.
- 1786: patriotten grepen alleen de macht in Utrecht → regenten verjaagd.
- Willem V (stadhouder) vlucht uit Den Haag naar Nijmegen → vrouw Wilhelmina wil terug →
wordt opgepakt → broer (koning van Pruisen) stuurt troepen waardoor de macht terugkomt bij
de stadhouder en de regenten → patriotten vluchten naar FA.
- Eerste week 1795: gevluchte patriotten keerden terug met Frans leger → stadhouder vlucht
naar EN → revolutionaire comités nemen overal het bestuur over → roepen Bataafse
Republiek uit.
- Nieuwe machthebbers lazen de Rechten van de mens en burger voor:
- Alle standsvoorrechten afgeschaft.
- Iedereen gelijk voor de wet.
- Volledige godsdienstvrijheid.
- Voorrechten GK vervielen → katholieken & joden kregen dezelfde rechten als
protestanten.