1.1 Gebruikte termen
In de literatuur worden voor autistische stoornissen verzameltermen gebruikt zoals: PDD (Pervasive
Developmental Disorders); ASS (Autistische Spectrum Stoornis). Dit is als volgt onderverdeeld: 1.
Kernautisme, 2. PDD-NOS, 3. Syndroom van Asperger, 4. Syndroom van Rett, 5. Desintegratiestoornis
van de kinderleeftijd.
Streepjescode
Het kind met kernautisme heeft veel nadrukkelijk aanwezige gedragskenmerken waaruit je de
stoornis kunt opmaken. Breng je dat in beeld, dan geeft de streepjescode niet alleen véél streepjes
(kenmerken), maar ook veel vette streepjes (nadrukkelijk aanwezig) weer.
1.2 Gevolgen
Het kind in relatie tot zijn omgeving:
- Niet aan verwachtingen kunnen voldoen.
- Moeizame wisselwerking met anderen.
- Sprake van veel miscommunicatie.
De ouders:
- Normale opvoedingswijze werkt niet.
- Een zoektocht door hulpverleningsland.
- Conflicten binnen het gezin.
De broertjes en zusjes (‘brusjes’):
- Moeten vaak inleveren en incasseren.
- Conflicten onderling en met ouders.
- Aandacht voor brusjes dikwijls minder.
2. Waarnemen in puzzelstukjes
Mensen met autisme nemen op een andere, gefragmenteerde, wijze waar. Deze andere manier van
waarnemen is de kern waar autisme om draait, en dit heb ik dan ook als uitgangspunt genomen om
de stoornis te beschrijven. Autisme is een stoornis in de hersenen, die het kind al vanaf de geboorte
heeft. Een kind met autisme moet eerst de losse stukjes in elkaar zien te puzzelen voor hij de
waarneming als een geheel kan zien en er vervolgens betekenis aan kan geven. Wanneer de zintuigen
veel informatie tegelijkertijd te verwerken krijgen komen al de losse puzzelstukjes in de hersenen als
het ware op een hoop terecht. Het kind moet ze eerst in elkaar zetten (puzzelen). Het verwerken van
indrukken kost hem dus meer tijd.
3. Anders denken
Er zijn drie cognietieve theorieën over het denken (de kennis en taal betreffend), die voor een groot
deel de gedragingen verklaren, die kinderen met autisme laten zien.
- Centrale coherentie: Het grote geheel overzien en er de juiste betekenis aan geven. De
omgeving als één geheel met alles wat zich daar in afspeelt, inclusief personen en
communicatie en hieaan de juiste betekenis geven.
- Executieve functies: Het plannen en organiseren van taken en daarin schakelvaardig, flexibel
zijn. Welke taken komen er na elkaar en hoe moet ik ze uitvoeren.