Me2 samenvatting:
Les 1:
Definitie onderzoek:
Onderzoek is iets wat mensen ondernemen om iets op een systematische manier uit te
zoeken, waardoor hun kennis toeneemt.
Kenmerken onderzoek:
1. Gegevens worden systematisch verzameld.
2.Gegevens worden systematisch geïnterpreteerd.
3.Er is een duidelijk doel: er moet iets worden uitgezocht.
Delphi methode:
•Leden van de groep kunnen individueel en anoniem hun ideeën noteren
•De ideeën worden vervolgens verspreid onder alle leden of samengevat.
•Hierna kan er een nieuwe anonieme ronde plaatsvinden.
Doelstelling:
- Beschrijvend onderzoek: alleen de situatie in kaart brengen (inzicht krijgen)
- Verkennend onderzoek (= explorerend): aanbevelingen doen aan een organisatie
- Verklarend onderzoek (toetsend): een verband tussen twee verschijnselen toetsen. Dit is
wetenschappelijk onderzoek.
- Evaluerend onderzoek: terugkijken op plannen/campagnes/acties
Probleemstelling:
- Haalbaar: niet te ruim geformuleerd •Binnen gestelde tijd en budget
- Meetbaar: onderzoek ≠ gegevens verzamelen. Analyse noodzakelijk
- Relevant (voor jouw opdrachtgever/lezers)
- Niet alleen beschrijven , maar ook aanbevelingen geven (hoe-vraag)
- Open vraagstelling (geen ja/nee-vraag)
- Enkelvoudig
- Hoofdvraag en deelvragen
Deelvragen:
- Deelvragen (= afgeleide vraag) zijn die vragen, die bijdragen aan het antwoord op de
hoofdvraag.
-Niet om de hoofdvraag te compliceren of te verruimen, maar om stappen aan te geven in
het beantwoorden van de hoofdvraag.
Drie soorten deelvragen:
-Theoretische vragen (begrippen verklaren d.m.v.
literatuuronderzoek)
-Interne vragen (micro-analyse: huidige situatie ten
aanzien probleem)
-Contextuele vragen (Concurrentie/branche, trends en ontwikkelingen)
, Les 2:
Literatuur zoeken:
1.Primaire literatuurbronnen: Eerste keer dat een werk verschijnt (nieuwsartikel
bijv)2.Secundaire literatuurbronnen : de volgende publicatie van primaire literatuur
(tijdschriften bijv)
3.Tertiaire literatuurbronnen: zoekmiddelen, bronnen die gebruikt worden om primaire en
secundaire bronnen te vinden (encyclopedie bijv)
Zoekactie:
•Trefwoorden genereren: let op combinatie van trefwoorden.
• Bepalen waar je gaat zoeken: welke bron: Bibliotheek, Ebsco database Tio, Google Scholar
• Criteria bepalen
Literatuur beoordelen:
- Hoe recent is de tekst/het artikel?
- Is de tekst/het artikel relevant voor je onderzoek?
- Is de bron betrouwbaar?
(pas op met internetbronnen)
Literatuur vastleggen:
-Bibliografische details
-Auteur
-Jaar van publicatie
-Titel
-Editie
-Plaats van publicatie
-Uitgeverij
-Paginanummers (bij letterlijk citeren)
-Een korte samenvatting van de inhoud
APA = American Psychology Association
Opbouwen literatuurstudie:
Literatuurstudie is iteratief proces:
- Steeds opnieuw zoeken naar informatie
- Begin direct met je literatuurstudie
- Bouw de tekst langzaam op
- Schrijven en schrappen
- Steeds meer kennis om verder te zoeken
Interne validiteit: onderzoeker moet de juiste vragen stellen
Externe validiteit: onderzoeker moet de juiste personen enqueteren
Betrouwbaarheid: Het onderzoek moet herhaalbaar zijn en dan dezelfde resultaten geven
Generaliseerbaarheid: Er moeten voldoende mensen meedoen aan de enquete om te kunnen
generaliseren
Representativiteit: De mensen die meedoen moeten een afspiegeling zijn van de populatie (niet
alleen vrouwen)
, Onderzoeksfilosofieën:
-Benadering (inductief of deductief)
- Strategie
- Kwantitatief of kwalitatief
- Tijdshorizonten- crossectioneel of longitudinaal
- Technieken en procedures
- Filosofie of wijsbegeerte is de oudste theoretische discipline die streeft naar kennis en
wijsheid.
- De term ‘onderzoek filosofie’ betreft de ontwikkeling van de kennis en de aard van die
kennis.
-De onderzoeksfilosofie bevat belangrijke aannames over de manier waarop je de wereld
bekijkt- Leer deze zin uit je hoofd!
Er zijn drie hoofdmanieren om over onderzoek filosofie te denken:
ontologie= de theorie over de beginselen die de werkelijkheid tot stand brengen en
structureren.
epistemologie= hoe kan je bewijzen dat iets zo is.
Axiologie= denken na over de verantwoordelijkheid van keuzes die onderzoeker maakt.
Epistemologie:
Epistemologie houdt zich bezig met aanvaardbare kennis.
• Positivisme= geloven alleen als iets te meten is. Meten is weten. = kwantitatief
• Interpretivisme= alles gaat over interpretatie, persoonlijkheid, verhalen verzamelen=
kwalitatief onderzoek
• Realisme= beide. Geloven in triangulatie. Gebruiken kwantitatief en kwalitatief onderzoek
Positivisme:
Verwant met filosofie van exacte wetenschap:
- Je werkt met een waarneembare sociale realiteit
(alles is te meten)
- Gestructureerde methodologie
- Eindproduct kan bestaan uit generalisaties in de
vorm van wetten
- Kwantitatieve invalshoek
Interpretivisme:
- De wereld is te ingewikkeld om in wetten vast te leggen
- De onderzoeker probeert de subjectieve werkelijkheid van de deelnemers te begrijpen
- De mens als sociale actor
- Kwalitatieve invalshoek
Realisme:
Onderzoeksfilosofie die gelooft in het bestaan van een externe objectief waarneembare
werkelijkheid die de maatschappelijke opvattingen en het gedrag van mensen beïnvloedt. (Zit
tussen positivisme en interpretivisme in)
Les 1:
Definitie onderzoek:
Onderzoek is iets wat mensen ondernemen om iets op een systematische manier uit te
zoeken, waardoor hun kennis toeneemt.
Kenmerken onderzoek:
1. Gegevens worden systematisch verzameld.
2.Gegevens worden systematisch geïnterpreteerd.
3.Er is een duidelijk doel: er moet iets worden uitgezocht.
Delphi methode:
•Leden van de groep kunnen individueel en anoniem hun ideeën noteren
•De ideeën worden vervolgens verspreid onder alle leden of samengevat.
•Hierna kan er een nieuwe anonieme ronde plaatsvinden.
Doelstelling:
- Beschrijvend onderzoek: alleen de situatie in kaart brengen (inzicht krijgen)
- Verkennend onderzoek (= explorerend): aanbevelingen doen aan een organisatie
- Verklarend onderzoek (toetsend): een verband tussen twee verschijnselen toetsen. Dit is
wetenschappelijk onderzoek.
- Evaluerend onderzoek: terugkijken op plannen/campagnes/acties
Probleemstelling:
- Haalbaar: niet te ruim geformuleerd •Binnen gestelde tijd en budget
- Meetbaar: onderzoek ≠ gegevens verzamelen. Analyse noodzakelijk
- Relevant (voor jouw opdrachtgever/lezers)
- Niet alleen beschrijven , maar ook aanbevelingen geven (hoe-vraag)
- Open vraagstelling (geen ja/nee-vraag)
- Enkelvoudig
- Hoofdvraag en deelvragen
Deelvragen:
- Deelvragen (= afgeleide vraag) zijn die vragen, die bijdragen aan het antwoord op de
hoofdvraag.
-Niet om de hoofdvraag te compliceren of te verruimen, maar om stappen aan te geven in
het beantwoorden van de hoofdvraag.
Drie soorten deelvragen:
-Theoretische vragen (begrippen verklaren d.m.v.
literatuuronderzoek)
-Interne vragen (micro-analyse: huidige situatie ten
aanzien probleem)
-Contextuele vragen (Concurrentie/branche, trends en ontwikkelingen)
, Les 2:
Literatuur zoeken:
1.Primaire literatuurbronnen: Eerste keer dat een werk verschijnt (nieuwsartikel
bijv)2.Secundaire literatuurbronnen : de volgende publicatie van primaire literatuur
(tijdschriften bijv)
3.Tertiaire literatuurbronnen: zoekmiddelen, bronnen die gebruikt worden om primaire en
secundaire bronnen te vinden (encyclopedie bijv)
Zoekactie:
•Trefwoorden genereren: let op combinatie van trefwoorden.
• Bepalen waar je gaat zoeken: welke bron: Bibliotheek, Ebsco database Tio, Google Scholar
• Criteria bepalen
Literatuur beoordelen:
- Hoe recent is de tekst/het artikel?
- Is de tekst/het artikel relevant voor je onderzoek?
- Is de bron betrouwbaar?
(pas op met internetbronnen)
Literatuur vastleggen:
-Bibliografische details
-Auteur
-Jaar van publicatie
-Titel
-Editie
-Plaats van publicatie
-Uitgeverij
-Paginanummers (bij letterlijk citeren)
-Een korte samenvatting van de inhoud
APA = American Psychology Association
Opbouwen literatuurstudie:
Literatuurstudie is iteratief proces:
- Steeds opnieuw zoeken naar informatie
- Begin direct met je literatuurstudie
- Bouw de tekst langzaam op
- Schrijven en schrappen
- Steeds meer kennis om verder te zoeken
Interne validiteit: onderzoeker moet de juiste vragen stellen
Externe validiteit: onderzoeker moet de juiste personen enqueteren
Betrouwbaarheid: Het onderzoek moet herhaalbaar zijn en dan dezelfde resultaten geven
Generaliseerbaarheid: Er moeten voldoende mensen meedoen aan de enquete om te kunnen
generaliseren
Representativiteit: De mensen die meedoen moeten een afspiegeling zijn van de populatie (niet
alleen vrouwen)
, Onderzoeksfilosofieën:
-Benadering (inductief of deductief)
- Strategie
- Kwantitatief of kwalitatief
- Tijdshorizonten- crossectioneel of longitudinaal
- Technieken en procedures
- Filosofie of wijsbegeerte is de oudste theoretische discipline die streeft naar kennis en
wijsheid.
- De term ‘onderzoek filosofie’ betreft de ontwikkeling van de kennis en de aard van die
kennis.
-De onderzoeksfilosofie bevat belangrijke aannames over de manier waarop je de wereld
bekijkt- Leer deze zin uit je hoofd!
Er zijn drie hoofdmanieren om over onderzoek filosofie te denken:
ontologie= de theorie over de beginselen die de werkelijkheid tot stand brengen en
structureren.
epistemologie= hoe kan je bewijzen dat iets zo is.
Axiologie= denken na over de verantwoordelijkheid van keuzes die onderzoeker maakt.
Epistemologie:
Epistemologie houdt zich bezig met aanvaardbare kennis.
• Positivisme= geloven alleen als iets te meten is. Meten is weten. = kwantitatief
• Interpretivisme= alles gaat over interpretatie, persoonlijkheid, verhalen verzamelen=
kwalitatief onderzoek
• Realisme= beide. Geloven in triangulatie. Gebruiken kwantitatief en kwalitatief onderzoek
Positivisme:
Verwant met filosofie van exacte wetenschap:
- Je werkt met een waarneembare sociale realiteit
(alles is te meten)
- Gestructureerde methodologie
- Eindproduct kan bestaan uit generalisaties in de
vorm van wetten
- Kwantitatieve invalshoek
Interpretivisme:
- De wereld is te ingewikkeld om in wetten vast te leggen
- De onderzoeker probeert de subjectieve werkelijkheid van de deelnemers te begrijpen
- De mens als sociale actor
- Kwalitatieve invalshoek
Realisme:
Onderzoeksfilosofie die gelooft in het bestaan van een externe objectief waarneembare
werkelijkheid die de maatschappelijke opvattingen en het gedrag van mensen beïnvloedt. (Zit
tussen positivisme en interpretivisme in)