1. Gedrag bestaat uit waarneembare, niet-waarneembare handelingen of onbewuste
handelingen. Leg de verschillen uit tussen waarneembare en niet-waarneembare
handelingen.
Waarneembare handelingen kan van alles zijn; stofzuigen, fietsen, slapen, vechten,
noem maar op. Deze handelingen vallen onder uiterlijk waarneembaar gedrag. We
kunnen zien waar de ander mee bezig is. Niet-waarneembare handelingen zijn
bijvoorbeeld dromen, nadenken of een emotie zoals angst of boosheid.
Bonus: Er bestaan ook onbewuste handelingen. Dit noemen we ook wel reflexen. Onder
onbewuste handelingen wordt ook gerekend het spontane gedrag, zoals het spontaan in
huilen uitbarsten op plotseling boos tegen iemand uitvallen. Uit zo'n boze uitval kun je
vaak opmaken dat er meer aan de hand is. Het zou heel goed kunnen dat emoties en
gedachten onbewust nog doorwerken bij die persoon. Een bekend voorbeeld is de
freudiaanse vergissing. Dit houdt in dat je bijvoorbeeld je collega aanspreekt met de
naam van je geliefde.
2. Wat is een reflex?
Een reflex is een automatisch gestuurde handeling die we niet bewust aansturen
3. Op welke van de effecten op gedrag kun je het beste coachen.
Gedrag is samen te vatten als acties of reacties van mensen op hun omgeving. Er is een
onderscheid tussen zichtbaar en onzichtbaar gedrag. Het zichtbare gedrag wordt vaak
veroorzaakt door ons onzichtbare gedrag. Daarom heeft het vaak meer zin om te
coachen op het ‘onzichtbare gedrag’ omdat dit doorwerkt in het zichtbare gedrag.
4. Wat betekent coachen van competentieontwikkeling in het ijsbergmodel van
McClelland? Welke factoren die het uiterlijk gedrag bepalen, pak je aan als coach.
Met coachen op competentieontwikkeling richt een coach zich met name op het
coachen onder de waterspiegel. Krijg je daar beweging, dan volgt de beweging boven in
de ijsberg ’vanzelfsprekend’.
De factoren die je aanpakt als coach zijn:
Overtuigingen
Normen en waarden
Eigenschappen
Motieven
5. Noem zes belangrijke redenen waarom mensen hun gedrag niet veranderen.
1. De noodzaak ontbreekt.
2. Het initiatief komt van iemand anders.
3. What’s in it for me?
4. Ik word er niet op beoordeeld.
5. Te veel mislukte veranderingsprojecten gezien.
6. Onvoldoende uitleg gekregen.