Ondernemingsrecht begrepen, tweede druk
leerdoelen per paragraaf in het boek uitgesplitst:
Rechtspersonen, algemene thema’s
De student:
1.2 ✓ kan uitleggen wat de aard van een rechtspersoon is en op welke wijze hij
kan deelnemen aan het rechtsverkeer.
✓ kan voorbeelden noemen van de aanvullende en derogerende werking van
redelijkheid en billijkheid in het rechtspersonenrecht.
1.3 ✓ kan uitleggen hoe het vermogensrecht voor publiekrechtelijke
rechtspersonen van overeenkomstige toepassing is.
1.4 ✓ kent de regels voor de oprichting van een privaatrechtelijke rechtspersoon
en de verplichting tot inschrijving in het handelsregister.
1.5 ✓ kan uitleggen hoe de bevoegdheden tussen de organen van een
rechtspersoon in het algemeen worden verdeeld.
✓ kan het verschil tussen het monistisch en het dualistisch bestuursmodel
uitleggen.
✓ kan aangeven welke veranderingen plaatsvinden als een rechtspersoon de
structuurregeling toepast.
1.6 ✓ kan uitleggen wat met corporate governance wordt bedoeld.
1.7 ✓ kan uitleggen hoe besluitvorming in een orgaan van een rechtspersoon
plaatsvindt.
✓ kan de regels ten aanzien van geldigheid, nietigheid en vernietigbaarheid
van besluiten toepassen in een casus.
1.8 ✓ kent het belang van inschrijving van gegevens van een rechtspersoon en de
bij hem betrokken personen in het handelsregister en kan aangeven wat de
gevolgen van onjuiste en/of onvolledige inschrijving zijn.
1.9 ✓ kan de regels ten aanzien van vertegenwoordiging van een rechtspersoon
toepassen.
1.10 ✓ kan aangeven wanneer sprake is van doeloverschrijding en wat daarvan het
gevolg kan zijn.
1.11 ✓ kan de verschillende vormen van tegenstrijdig belang herkennen en
uitleggen hoe bestuurders (commissarissen) in een voorkomend geval
dienen te handelen.
1.12 ✓ kan de gevolgen aangeven van de eventuele dubbele rechtsband tussen de
rechtspersoon en zijn bestuurder bij zijn ontslag.
1.13 ✓ kent de rechtsgronden op grond waarvan een bestuurder van een
rechtspersoon intern en extern aansprakelijk kan worden gesteld en kan
deze regels toepassen in een casus.
1.14 ✓ kan de regels toepassen ten aanzien van rechtshandelingen die zijn verricht
voorafgaand aan de oprichting van een rechtspersoon.
1.15 ✓ kan de (publiekrechtelijke) belasting over de winst van een rechtspersoon
benoemen.
1.16 ✓ kan bepalen of een rechtspersoon kan worden omgezet in een
andersoortige rechtspersoon en wat daarvan de gevolgen zijn.
1.17 ✓ kan de feiten en omstandigheden benoemen die tot ontbinding van een
rechtspersoon leiden en kan de stappen (vereffening en verdeling) aangeven
die vervolgens gezet zullen (moeten) worden om tot beëindiging van zijn
bestaan te komen.
leerdoelen per paragraaf in het boek uitgesplitst:
Rechtspersonen, algemene thema’s
De student:
1.2 ✓ kan uitleggen wat de aard van een rechtspersoon is en op welke wijze hij
kan deelnemen aan het rechtsverkeer.
✓ kan voorbeelden noemen van de aanvullende en derogerende werking van
redelijkheid en billijkheid in het rechtspersonenrecht.
1.3 ✓ kan uitleggen hoe het vermogensrecht voor publiekrechtelijke
rechtspersonen van overeenkomstige toepassing is.
1.4 ✓ kent de regels voor de oprichting van een privaatrechtelijke rechtspersoon
en de verplichting tot inschrijving in het handelsregister.
1.5 ✓ kan uitleggen hoe de bevoegdheden tussen de organen van een
rechtspersoon in het algemeen worden verdeeld.
✓ kan het verschil tussen het monistisch en het dualistisch bestuursmodel
uitleggen.
✓ kan aangeven welke veranderingen plaatsvinden als een rechtspersoon de
structuurregeling toepast.
1.6 ✓ kan uitleggen wat met corporate governance wordt bedoeld.
1.7 ✓ kan uitleggen hoe besluitvorming in een orgaan van een rechtspersoon
plaatsvindt.
✓ kan de regels ten aanzien van geldigheid, nietigheid en vernietigbaarheid
van besluiten toepassen in een casus.
1.8 ✓ kent het belang van inschrijving van gegevens van een rechtspersoon en de
bij hem betrokken personen in het handelsregister en kan aangeven wat de
gevolgen van onjuiste en/of onvolledige inschrijving zijn.
1.9 ✓ kan de regels ten aanzien van vertegenwoordiging van een rechtspersoon
toepassen.
1.10 ✓ kan aangeven wanneer sprake is van doeloverschrijding en wat daarvan het
gevolg kan zijn.
1.11 ✓ kan de verschillende vormen van tegenstrijdig belang herkennen en
uitleggen hoe bestuurders (commissarissen) in een voorkomend geval
dienen te handelen.
1.12 ✓ kan de gevolgen aangeven van de eventuele dubbele rechtsband tussen de
rechtspersoon en zijn bestuurder bij zijn ontslag.
1.13 ✓ kent de rechtsgronden op grond waarvan een bestuurder van een
rechtspersoon intern en extern aansprakelijk kan worden gesteld en kan
deze regels toepassen in een casus.
1.14 ✓ kan de regels toepassen ten aanzien van rechtshandelingen die zijn verricht
voorafgaand aan de oprichting van een rechtspersoon.
1.15 ✓ kan de (publiekrechtelijke) belasting over de winst van een rechtspersoon
benoemen.
1.16 ✓ kan bepalen of een rechtspersoon kan worden omgezet in een
andersoortige rechtspersoon en wat daarvan de gevolgen zijn.
1.17 ✓ kan de feiten en omstandigheden benoemen die tot ontbinding van een
rechtspersoon leiden en kan de stappen (vereffening en verdeling) aangeven
die vervolgens gezet zullen (moeten) worden om tot beëindiging van zijn
bestaan te komen.