Hoofdstuk 1
Rechtsbronnen
1. Wetten (geschreven recht, gemaakt door de overheid)
2. Verdragen (internationale overeenkomst tussen twee of meer landen)
3. Jurisprudentie (uitspraak van rechters, vonnissen of arresten)
4. Gewoonte (ongeschreven recht)
Recht
Privaatrecht: regelt de relatie tussen burgers onderling (marktplaats)
o Burger-burger/onderneming
Publiekrecht: regelt de relatie tussen overheden onderling en tussen overheid en burger
(vergunningen, subsidies)
o Overheid-burger
Materieel recht: regels die de rechten en plichten van partijen regelen. Daar moeten we ons
allemaal aan houden!! Vb. Verbod om te stelen.
Formeel recht: regels die gaan over het handhaven van ons materieel recht = procesrecht.
Wat bijvoorbeeld een rechter mag doen en opleggen. Dat staat in het formeel recht.
Objectief recht: geschreven recht (wet) en ongeschreven regels dat voor iedereen geldt.
Subjectief recht: een individueel recht dat aan een objectief recht ontleend kan worden.
Bijvoorbeeld dat je als koper wat koopt en het wordt niet geleverd. Dan heb je het recht om
je gekochte producten af te dwingen, omdat je een koopovereenkomst hebt. Of bijvoorbeeld
bij een arbeidsovereenkomst dat je je vakantiegeld op mag eisen als het erin staat.
Dwingend recht: Recht waarvan je niet mag afwijken.
Aanvullend recht: Vult afspraken aan over onderwerpen die partijen niet hebben geregeld.
Waar begin ik mijn rechtzaak?
De absolute competentie: Welk soort rechter? (middelste kolom)
De relatieve competentie: Welke plaats?
Cassatie kijkt of rechter zich aan de regels heeft
gehouden.
Rechtbank of kantonrechter.
Welke rechter is bevoegd in het privaat recht?
De absolute competentie
,Hoger beroep: gerechtshof
Cassatie: Hoge Raad
De relatieve competentie -> waar vindt de competentie plaats
Partijen: eiser en gedaagde
Woonplaats gedaagde
11 arrondissementen
4 ressorts
De eiseR Reist
Uitzondering bij arbeidsgeschillen; woonplaats/vestigingsplaats gedaagde of plaats waar arbeid
wordt verricht. (bijvoorbeeld woont in Amsterdam, maar werkt in Zwolle dus het vindt plaats in
Amsterdam of Zwolle)
Arbeidsgeschillen zijn altijd werk gerelateerd.
Aantal voorbeelden:
Absoluut = kantonrechter
Relatief = Maastricht
Absoluut = kantonrechter
Relatief = Amsterdam
Absoluut = kantonrechter
Relatief = Utrecht
Absoluut = gerechtshof
Relatief = Haarlem
, Hoofdstuk 4
Handelingsbekwaamheid
Wanneer iemand 18 jaar of ouder is, is hij meerderjarig. Volgens de wet is hij dan ook
handelingsbekwaam. Dat betekent dat hij zelfstandig rechtshandelingen mag verrichten en daar ook
verantwoordelijk voor is. Hij mag dingen kopen, een contract afsluiten, geld lenen, trouwen,
scheiden, etc.
Wie?
Natuurlijke personen (mensen)
Rechtspersonen zoals verenigingen, BV’s, NV’s, stichtingen, andere organisaties
Handelingsonbekwaamheid
Minderjarigen (1:233 BW).
Nog géén 18 jaar;
Niet getrouwd of geregistreerd partner (geweest);
Niet door de kinderrechter meerderjarig verklaard.
Soms kan minderjarige wel rechten uitoefenen:
1. Handlichting
2. Maken van een testament vanaf 16 jaar
3. Arbeidsovereenkomst als je 16 of ouder bent
4. Uitgaven voor studie / levensonderhoud als je 17 bent
5. Gebruikelijke rechtshandelingen bijv. Een broek kopen
Meerderjarigen die onder curatele zijn gesteld (1:378 BW).
Crimineel verleden
Geestelijk beperkt
Voor grote aankopen iemand meekijken, niet zelf dingen doen zonder begeleiding.
Onder curatele
Iemand anders (de curator) moet toestemming geven voor de overeenkomst die de onder curatele
gestelde wil aangaan.
Rechtsbronnen
1. Wetten (geschreven recht, gemaakt door de overheid)
2. Verdragen (internationale overeenkomst tussen twee of meer landen)
3. Jurisprudentie (uitspraak van rechters, vonnissen of arresten)
4. Gewoonte (ongeschreven recht)
Recht
Privaatrecht: regelt de relatie tussen burgers onderling (marktplaats)
o Burger-burger/onderneming
Publiekrecht: regelt de relatie tussen overheden onderling en tussen overheid en burger
(vergunningen, subsidies)
o Overheid-burger
Materieel recht: regels die de rechten en plichten van partijen regelen. Daar moeten we ons
allemaal aan houden!! Vb. Verbod om te stelen.
Formeel recht: regels die gaan over het handhaven van ons materieel recht = procesrecht.
Wat bijvoorbeeld een rechter mag doen en opleggen. Dat staat in het formeel recht.
Objectief recht: geschreven recht (wet) en ongeschreven regels dat voor iedereen geldt.
Subjectief recht: een individueel recht dat aan een objectief recht ontleend kan worden.
Bijvoorbeeld dat je als koper wat koopt en het wordt niet geleverd. Dan heb je het recht om
je gekochte producten af te dwingen, omdat je een koopovereenkomst hebt. Of bijvoorbeeld
bij een arbeidsovereenkomst dat je je vakantiegeld op mag eisen als het erin staat.
Dwingend recht: Recht waarvan je niet mag afwijken.
Aanvullend recht: Vult afspraken aan over onderwerpen die partijen niet hebben geregeld.
Waar begin ik mijn rechtzaak?
De absolute competentie: Welk soort rechter? (middelste kolom)
De relatieve competentie: Welke plaats?
Cassatie kijkt of rechter zich aan de regels heeft
gehouden.
Rechtbank of kantonrechter.
Welke rechter is bevoegd in het privaat recht?
De absolute competentie
,Hoger beroep: gerechtshof
Cassatie: Hoge Raad
De relatieve competentie -> waar vindt de competentie plaats
Partijen: eiser en gedaagde
Woonplaats gedaagde
11 arrondissementen
4 ressorts
De eiseR Reist
Uitzondering bij arbeidsgeschillen; woonplaats/vestigingsplaats gedaagde of plaats waar arbeid
wordt verricht. (bijvoorbeeld woont in Amsterdam, maar werkt in Zwolle dus het vindt plaats in
Amsterdam of Zwolle)
Arbeidsgeschillen zijn altijd werk gerelateerd.
Aantal voorbeelden:
Absoluut = kantonrechter
Relatief = Maastricht
Absoluut = kantonrechter
Relatief = Amsterdam
Absoluut = kantonrechter
Relatief = Utrecht
Absoluut = gerechtshof
Relatief = Haarlem
, Hoofdstuk 4
Handelingsbekwaamheid
Wanneer iemand 18 jaar of ouder is, is hij meerderjarig. Volgens de wet is hij dan ook
handelingsbekwaam. Dat betekent dat hij zelfstandig rechtshandelingen mag verrichten en daar ook
verantwoordelijk voor is. Hij mag dingen kopen, een contract afsluiten, geld lenen, trouwen,
scheiden, etc.
Wie?
Natuurlijke personen (mensen)
Rechtspersonen zoals verenigingen, BV’s, NV’s, stichtingen, andere organisaties
Handelingsonbekwaamheid
Minderjarigen (1:233 BW).
Nog géén 18 jaar;
Niet getrouwd of geregistreerd partner (geweest);
Niet door de kinderrechter meerderjarig verklaard.
Soms kan minderjarige wel rechten uitoefenen:
1. Handlichting
2. Maken van een testament vanaf 16 jaar
3. Arbeidsovereenkomst als je 16 of ouder bent
4. Uitgaven voor studie / levensonderhoud als je 17 bent
5. Gebruikelijke rechtshandelingen bijv. Een broek kopen
Meerderjarigen die onder curatele zijn gesteld (1:378 BW).
Crimineel verleden
Geestelijk beperkt
Voor grote aankopen iemand meekijken, niet zelf dingen doen zonder begeleiding.
Onder curatele
Iemand anders (de curator) moet toestemming geven voor de overeenkomst die de onder curatele
gestelde wil aangaan.