Inleiding financiële markten, syllabus Leestekst 1 Evenwicht op financiële markten
Het financiële systeem bestaat uit financiële markten en instellingen en vormt de plaats waar vraag
en aanbod van financiële middelen elkaar ontmoeten. De overdracht van financiële middelen vindt
plaats op financiële markten in rui voor financiële titels:
- Verhandelbare schuldbewijzen; aandelen, obligaties, effecten. Papieren documenten die
contractuele bepalingen bevatten over de prijs, duur en voorwaarden.
- Boekvorderingen; aangegane verplichting in de vorm van een contractuele overeenkomst de
uitsluitend in de boeken van de betrokken partijen verschijnen. Bijv: spaartegoed van een
particulier ij een bank of een kortlopende lening van een bank aan een particulier.
De rol van financiële instellingen hierbij:
- Bemiddelaar: (directe financiering) Financiële instelling ontvangt provisie. De financiële
instelling is slechts behulpzaam in de afwikkeling van zaken tussen de uiteindelijke vrager en
aanbieder, maar neemt zelf geen financiële positie in.
- Intermediair: (indirecte financiering: financiële instelling geeft indirecte titels uit). Opbrengst
voor financiële instelling uit rentemargebedrijf. -> via de uitgifte van financiële titels ten laste
van zichzelf middelen aantrekken van de overschot huishoudens, en deze vervolgens
doorgeven aan de geldvragers.
Er kan dus sprake zijn van directe of indirecte financiering:
- Directe titels: uitgegeven door de geldvragers zelf -> financiële instelling heeft een
bemiddelende rol
- Indirecte titels: uitgegeven door financiële instellingen ter funding van middelen bij indirecte
financiering. Financiële instelling heeft de rol van intermediair.
Er wordt gebruik gemaakt van een indeling van de economie in sectoren.
- Particuliere sector = sector gezinnen en de sector bedrijven
- Sector overheid
- Financiële instellingen, en
- Het buitenland.
Macro-economische budget-identiteit
De grote van het nationale product is gelijk aan de bestedingen van de binnenlandse sectoren:
C + I + O plus het saldo in het goederen- en dienstenverkeer met het buitenland E - M
X=C+I+O+E–M
X = Nationaal product, (waarde van de nationale productie)
Y = gelijk aan X -> nationale inkomen
C = consumptie particuliere sector
I = investeringen particuliere sector
O = overheidsbestedingen
E = Export
M = Import
Bij het voortbrengen van het nationaal product wordt inkomen gevormd. Dit inkomen, het nationaal
inkomen Y, valt toe aan de binnenlandse sectoren.
1
,Het nationaalinkomen (Y) kan worden uitgesplitst naar het beschikbare inkomen van de particuliere
sector Yps en inkomen voor de overheid T. Het beschikbare inkomen van de particuliere sector is
gelijk aan het nationale inkomen minus het beslag dat de overheid daarop legt middels sociale
premies en dergelijke.
Y = Yps + T
Yps = beschikbare inkomen particuliere sector
T = inkomen overheid
De particuliere sector wend een deel aan voor consumptie, het restant vormen de besparingen van
deze sector
Yps = C + S
S = besparingen particuliere sector
Wanneer we alles samenvoegen krijgen we de volgende vergelijking:
C+S+T=C+I+O+E–M
Of
( S - I ) + ( T - O ) = ( E - M ),
(Besparingen Par. sector – investeringen Par. Sector) + (Inkomen overheid – overheidsbestedingen) =
(Export – Import)
(S-I) = saldo particuliere sector
(T-O) = saldo sector overheid
(E-M)= uitvoersaldo
Het uitvoersaldo is positief, E > M, wanneer de binnenlandse sectoren minder besteden dan het
inkomen waarover zij beschikken. De grootte van het uitvoersaldo is bij benadering gelijk aan het
saldo lopende rekening van de betalingsbalans.
Het nationale spaarsaldi is gelijk aan E – M.
Er is sprake van een nationaal spaarsaldo als de binnenlandse sectoren samen (S-I en T-O) per saldo
een overschot hebben en de sector buitenland dus een tekort heeft (E-M)
- Nationaal spaarsaldo is dus: E-M
FSge + FSbe + FSov + FSbu = 0
FS = financieringssaldo.
Let op! Bij een overschot op de lopende rekening is het financieringssaldo buiteland negatief!!
2
, Syllabus leestekst 2: prijsvorming op financiële markten
Een monetair overzicht vat de financiële transacties tussen sectoren samen zoals deze feitelijk in een
periode zijn verlopen. Ex post (achteraf) is altijd sprake van evenwicht tussen vraag en aanbod. De
allocatie (= toedeling) van de middelen afkomstig van de overschotsectoren over de tekortsectoren
vindt plaats op basis van het prijsmechanisme dat werkzaam is op de financiële markten, het
zogenoemde stelsel van rentevoeten.
Geldmarkt rente = korter dan 2 jaar
Kapitaalmarkt rente = langer dan 2 jaar
Wanneer de rentevoeten op de geldmarkt lager zijn dan de rentevoeten op de kapitaalmarkt, (korte
rente < lange rente), spreken we van de normale rente structuur.
Niveau van de rentevoet is afhankelijk van:
- Vraag en aanbod;
- Substitutiemogelijkheden;
Voor elke deelmarkt geldt dat vraag en aanbod niet alleen afhankelijk is van de eigen
rentevoet, maar ook van de rentevoeten van deelmarkten waarop financiële titels worden
verhandeld die als substituut kunnen dienen. (mogelijke vervangende belegging)
- Buitenland (buitenlandse rente);
Naarmate een economie minder restricties heeft op het internationale kapitaalverkeer en
opener is, is het binnenlandse renteniveau sterker afhankelijk van het renteniveau in het
buitenland.
- Wisselkoersverwachtingen (ongedekte interestpariteitstheorie)*
- Inflatieverwachtingen (FISHER-relatie);
Volgens deze relatie is de nominale rentevoet ( vergoeding over het nominale bedrag van de
schuld) te splitsen in een reëel deel, de reële rentevoet, zijnde de door de beleggers geëiste
vergoeding voor het beschikbaar stellen van middelen, en een inflatiepremie, zijnde de
compensatie voor het verwachte koopkrachtverlies als gevolg van inflatie gedurende de
looptijd van de belegging.
- Monetaire beleid;
Het ESCB heeft grote invloed op de korte rente. Wijzigingen in de korte rente weren door in
de lange rente. Wanneer de geldmarkt rente stijgt, zullen bellegers lange financiële titels
vervangen door korte. Uitgangspunt van de ECB is, dat zij geen wisselkoersbeleid voert.
*Wisselkoersverwachtingen
Depreciatie = De eigen valuta wordt minder waard; de aanschaf van één eenheid vreemde valuta
kost meer eenheden eigen valuta
Appreciatie = De eigen valuta wordt meer waard ; de aanschaf van één eenheid vreemde valuta kost
minder eenheden eigen valuta
Ongedekte Interestpariteitstheorie = deze theorie stelt dat als gevolg van arbitrage op de
internationale financiële markten, verschillen tussen de renteniveaus van landen te herleiden zijn tot
verwachte veranderingen in de wisselkoersverhoudingen. Het principe achter deze theorie is dat het
rendement op deposito’s op alle nationale geldmarkten gelijk is.
Dus -> wanneer men verwacht dat de binnenlandse munt ten opzichte van valuta’s van belangrijke
handelspartners in waarde zal dalen, dan zal de binnenlandse nominale rente gelijk zijn aan de
buitenlandse rente vermeerderd met een opslag ter compensatie voor de verwachte depreciatie van
de binnenlandse valuta ten opzichte van de buitenlandse valuta’s.
3
Het financiële systeem bestaat uit financiële markten en instellingen en vormt de plaats waar vraag
en aanbod van financiële middelen elkaar ontmoeten. De overdracht van financiële middelen vindt
plaats op financiële markten in rui voor financiële titels:
- Verhandelbare schuldbewijzen; aandelen, obligaties, effecten. Papieren documenten die
contractuele bepalingen bevatten over de prijs, duur en voorwaarden.
- Boekvorderingen; aangegane verplichting in de vorm van een contractuele overeenkomst de
uitsluitend in de boeken van de betrokken partijen verschijnen. Bijv: spaartegoed van een
particulier ij een bank of een kortlopende lening van een bank aan een particulier.
De rol van financiële instellingen hierbij:
- Bemiddelaar: (directe financiering) Financiële instelling ontvangt provisie. De financiële
instelling is slechts behulpzaam in de afwikkeling van zaken tussen de uiteindelijke vrager en
aanbieder, maar neemt zelf geen financiële positie in.
- Intermediair: (indirecte financiering: financiële instelling geeft indirecte titels uit). Opbrengst
voor financiële instelling uit rentemargebedrijf. -> via de uitgifte van financiële titels ten laste
van zichzelf middelen aantrekken van de overschot huishoudens, en deze vervolgens
doorgeven aan de geldvragers.
Er kan dus sprake zijn van directe of indirecte financiering:
- Directe titels: uitgegeven door de geldvragers zelf -> financiële instelling heeft een
bemiddelende rol
- Indirecte titels: uitgegeven door financiële instellingen ter funding van middelen bij indirecte
financiering. Financiële instelling heeft de rol van intermediair.
Er wordt gebruik gemaakt van een indeling van de economie in sectoren.
- Particuliere sector = sector gezinnen en de sector bedrijven
- Sector overheid
- Financiële instellingen, en
- Het buitenland.
Macro-economische budget-identiteit
De grote van het nationale product is gelijk aan de bestedingen van de binnenlandse sectoren:
C + I + O plus het saldo in het goederen- en dienstenverkeer met het buitenland E - M
X=C+I+O+E–M
X = Nationaal product, (waarde van de nationale productie)
Y = gelijk aan X -> nationale inkomen
C = consumptie particuliere sector
I = investeringen particuliere sector
O = overheidsbestedingen
E = Export
M = Import
Bij het voortbrengen van het nationaal product wordt inkomen gevormd. Dit inkomen, het nationaal
inkomen Y, valt toe aan de binnenlandse sectoren.
1
,Het nationaalinkomen (Y) kan worden uitgesplitst naar het beschikbare inkomen van de particuliere
sector Yps en inkomen voor de overheid T. Het beschikbare inkomen van de particuliere sector is
gelijk aan het nationale inkomen minus het beslag dat de overheid daarop legt middels sociale
premies en dergelijke.
Y = Yps + T
Yps = beschikbare inkomen particuliere sector
T = inkomen overheid
De particuliere sector wend een deel aan voor consumptie, het restant vormen de besparingen van
deze sector
Yps = C + S
S = besparingen particuliere sector
Wanneer we alles samenvoegen krijgen we de volgende vergelijking:
C+S+T=C+I+O+E–M
Of
( S - I ) + ( T - O ) = ( E - M ),
(Besparingen Par. sector – investeringen Par. Sector) + (Inkomen overheid – overheidsbestedingen) =
(Export – Import)
(S-I) = saldo particuliere sector
(T-O) = saldo sector overheid
(E-M)= uitvoersaldo
Het uitvoersaldo is positief, E > M, wanneer de binnenlandse sectoren minder besteden dan het
inkomen waarover zij beschikken. De grootte van het uitvoersaldo is bij benadering gelijk aan het
saldo lopende rekening van de betalingsbalans.
Het nationale spaarsaldi is gelijk aan E – M.
Er is sprake van een nationaal spaarsaldo als de binnenlandse sectoren samen (S-I en T-O) per saldo
een overschot hebben en de sector buitenland dus een tekort heeft (E-M)
- Nationaal spaarsaldo is dus: E-M
FSge + FSbe + FSov + FSbu = 0
FS = financieringssaldo.
Let op! Bij een overschot op de lopende rekening is het financieringssaldo buiteland negatief!!
2
, Syllabus leestekst 2: prijsvorming op financiële markten
Een monetair overzicht vat de financiële transacties tussen sectoren samen zoals deze feitelijk in een
periode zijn verlopen. Ex post (achteraf) is altijd sprake van evenwicht tussen vraag en aanbod. De
allocatie (= toedeling) van de middelen afkomstig van de overschotsectoren over de tekortsectoren
vindt plaats op basis van het prijsmechanisme dat werkzaam is op de financiële markten, het
zogenoemde stelsel van rentevoeten.
Geldmarkt rente = korter dan 2 jaar
Kapitaalmarkt rente = langer dan 2 jaar
Wanneer de rentevoeten op de geldmarkt lager zijn dan de rentevoeten op de kapitaalmarkt, (korte
rente < lange rente), spreken we van de normale rente structuur.
Niveau van de rentevoet is afhankelijk van:
- Vraag en aanbod;
- Substitutiemogelijkheden;
Voor elke deelmarkt geldt dat vraag en aanbod niet alleen afhankelijk is van de eigen
rentevoet, maar ook van de rentevoeten van deelmarkten waarop financiële titels worden
verhandeld die als substituut kunnen dienen. (mogelijke vervangende belegging)
- Buitenland (buitenlandse rente);
Naarmate een economie minder restricties heeft op het internationale kapitaalverkeer en
opener is, is het binnenlandse renteniveau sterker afhankelijk van het renteniveau in het
buitenland.
- Wisselkoersverwachtingen (ongedekte interestpariteitstheorie)*
- Inflatieverwachtingen (FISHER-relatie);
Volgens deze relatie is de nominale rentevoet ( vergoeding over het nominale bedrag van de
schuld) te splitsen in een reëel deel, de reële rentevoet, zijnde de door de beleggers geëiste
vergoeding voor het beschikbaar stellen van middelen, en een inflatiepremie, zijnde de
compensatie voor het verwachte koopkrachtverlies als gevolg van inflatie gedurende de
looptijd van de belegging.
- Monetaire beleid;
Het ESCB heeft grote invloed op de korte rente. Wijzigingen in de korte rente weren door in
de lange rente. Wanneer de geldmarkt rente stijgt, zullen bellegers lange financiële titels
vervangen door korte. Uitgangspunt van de ECB is, dat zij geen wisselkoersbeleid voert.
*Wisselkoersverwachtingen
Depreciatie = De eigen valuta wordt minder waard; de aanschaf van één eenheid vreemde valuta
kost meer eenheden eigen valuta
Appreciatie = De eigen valuta wordt meer waard ; de aanschaf van één eenheid vreemde valuta kost
minder eenheden eigen valuta
Ongedekte Interestpariteitstheorie = deze theorie stelt dat als gevolg van arbitrage op de
internationale financiële markten, verschillen tussen de renteniveaus van landen te herleiden zijn tot
verwachte veranderingen in de wisselkoersverhoudingen. Het principe achter deze theorie is dat het
rendement op deposito’s op alle nationale geldmarkten gelijk is.
Dus -> wanneer men verwacht dat de binnenlandse munt ten opzichte van valuta’s van belangrijke
handelspartners in waarde zal dalen, dan zal de binnenlandse nominale rente gelijk zijn aan de
buitenlandse rente vermeerderd met een opslag ter compensatie voor de verwachte depreciatie van
de binnenlandse valuta ten opzichte van de buitenlandse valuta’s.
3