Research in Business & Management by Micheal D. Myers (3rd
edition)
Actieonderzoek (action research): Een kwalitatieve onderzoeksmethode die gericht is op het
oplossen van praktische problemen terwijl het bijdraagt aan onderzoek in een bepaalde
academische discipline.
Analytische inductie (analytic induction): Een benadering van kwalitatieve gegevensanalyse
die probeert causale verklaringen van een fenomeen.
Toe-eigening (appropriation): een concept in de hermeneutiek dat suggereert dat we ons de
betekenis van een tekst moeten toe-eigenen om deze goed te kunnen begrijpen.
Autonomisatie (autonomization): een begrip in de hermeneutiek dat verwijst naar een tekst
die een autonoom, objectief bestaan aanneemt.
CAQDAS: Software voor computerondersteunde kwalitatieve gegevensanalyse
Case study onderzoek (case study research): Een kwalitatieve onderzoeksmethode die
gericht is op het verkennen of verklaren van hedendaagse praktijksituaties te onderzoeken
of te verklaren; in het bedrijfsleven en het management ligt de nadruk gewoonlijk op één
organisatie.
Codering (coding): Het toevoegen van sleutelwoorden of tags aan segmenten van tekst om
deze later terug te kunnen vinden.
Inhoudsanalyse (content analysis): een systematische benadering van kwalitatieve
gegevensanalyse die zoekt naar structuren en patroonmatige regelmatigheden in tekst.
Gespreksanalyse (conversation analysis): een benadering van kwalitatieve gegevensanalyse
die kijkt naar taalgebruik door mensen als een soort actie.
Critical incidenten (critical incidents): een benadering van kwalitatieve data-analyse die zich
richt op cruciale gebeurtenissen.
Kritisch onderzoek (critical research): gaat ervan uit dat de werkelijkheid sociaal
geconstrueerd is, maar richt zich op een sociale kritiek van de huidige omstandigheden.
Cultuur (culture): een gemeenschappelijk geheel van waarden, overtuigingen en
gedragingen, waarvan vele als vanzelfsprekend worden beschouwd.
Deductief (deductive): waarbij de onderzoeker begint met een theorie of enkele hypothesen
die hij of zij wil testen.
Diagnose stellen (diagnosing): de eerste fase van actieonderzoek waarin de primaire
problemen die moeten worden aangepakt, worden geïdentificeerd.
, Discoursanalyse (discourse analysis): een benadering van kwalitatieve gegevensanalyse die
zich richt op de manier waarop teksten sociaal worden geconstrueerd.
Distanciatie (distanciation): een begrip in de hermeneutiek dat verwijst naar de afstand in
ruimte en tijd tussen de tekst en zijn oorspronkelijke auteur.
Documenten (documents): In kwalitatief onderzoek zijn documenten een bron van
kwalitatieve gegevens
Empirisch (empirical): Gebaseerd op bewijs uit zintuigen, zoals gegevens uit een casestudy
of een experiment
Betrokkenheid (engagement): een concept in de hermeneutiek dat suggereert dat betekenis
ontstaat door de betrokkenheid van de lezer bij de tekst
Ethiek (ethics): De morele principes die het gedrag bepalen of beïnvloeden
Ethnografie (ethnography): Een kwalitatieve onderzoeksmethode die steunt op observatie
van deelnemers en veldwerk om een diepgaand begrip te krijgen van mensen binnen hun
sociale en culturele context.
Verklarend onderzoek (explanatory research): Een benadering van onderzoek waarbij de
primaire motivatie het testen, verklaren of vergelijken van verschijnselen is.
Verkennend onderzoek (exploratory research): Een benadering van kwalitatief onderzoek
waarbij de primaire motivatie het ontdekken en verkennen van nieuwe fenomenen is.
Veld (field): De fysieke en sociale omgeving waar etnografisch onderzoek plaatsvindt.
Veldnotities (fieldnotes): Uw eigen verslag van en commentaar op uw ervaringen in het
veld.
Veldwerk (fieldwork): In kwalitatief onderzoek, een gegevensverzamelingstechniek waarbij
de onderzoeker deelnam aan en mensen observeert in hun natuurlijke omgeving;
vergelijkbaar met participerende observatie.
Focusgroep (focus group): in kwalitatief onderzoek, een techniek om gegevens te
verzamelen waarbij de onderzoeker een groep mensen interviewt om hun collectieve
mening over een bepaald onderwerp te krijgen.
Poortwachter (gate keeper): iemand die de macht heeft om toegang tot een persoon of
onderzoekslocatie te verlenen of te weigeren.
Generaliseerbaarheid (generalizability): de mate waarin de onderzoeksresultaten kunnen
worden toegepast op andere settings.