Pijn
De student kan de verschillende verschijningsvormen van pijn zoals acute en chroische pijn
beschrijven en verschillende grondvormen van pijn benoemen. Hij kan verschillen nociceptieve
en neuropathische pijn aangeven.
De student kan basale neurofysiologische principes rond nociceptieve pijngewaarwording
aangeven.
De student kan het principe van mogelijke beïnvloeding (modulatie) van pijn, bijvoorbeeld door
fysiotherapeutische interventie (o.a. ‘gate control theorie’) benoemen.
Pijn:
Een onaangename sensorische en emotionele ervaring die wordt geassocieerd met feitelijke
of mogelijke weefselbeschadiging, of die wordt beschreven in termen van een dergelijke
beschadiging
Pijn: Primaire:
Kenmerken:
- Acuut
- Simpel
- Functioneel
- Kortdurend
Pijn: Lijden
Kenmerken:
- Chronisch
- Complex
- Oorzaak / gevolg ?
- Functioneel?
- Psychosociaal
Relatie: Pijn → Weefselschade
Componenten van pijn
,Grondvormen van pijn:
Nocisensorische pijn
Klinische kenmerken: Tijdsverloop
Stimulatie nocisensoren (‘inflammatory soup’)
Voorspelbare pijngewaarwording
Primaire hyperalgesie
Segmentale dysregulatie, referred pain, secundaire hyperalgesie
Karakter: zeurend, stekend
Primaire pijn
Weefselbeschadiging/belasting
Mechanisch, chemisch en/of thermisch
Prikkeling vrije zenuwuiteinden; unimodale nocisensoren → Aδ-vezels → RM
➔ reflex
➔ cerebrum: waarneming ernst en lokalisatie beschadiging
Secundaire pijn
Weefselbeschadiging/belasting: stoffen in het interstitium (o.a. bradykinine,
prostaglandines, kallikreïne, K+ ionen, etc.)
Prikkeling vrije zenuwuiteinden: overwegend polymodale nocisensoren; C-vezels → RM
→ afgifte substance P → verdere pijnverwerking
Weefselbeschadiging
,De route naar gewaarwording ‘pain pathway’
4) Projectie op cortex
3) Balans/activatie t.g.v.
input/modulatie op
supraspinaal niveau
2) Balans/activatie t.g.v.
input/modulatie op
spinaal niveau
1) Perifere noxe/stimulus
Pijnmodulerende systemen CZS
Centraal → ‘Beslissing’ 2: Thalamus
o Activatie door
o stimulatie van ‘dikke’
o en ‘dunne’ zenuwvezels
Spinaal → ‘Beslissing’ 1: Achterhoorn
o Activatie door
o stimulatie van ‘dikke’
o zenuwvezels
Type zenuwvezels
‘Dun → dik’
‘Langzaam → snel’
Polymodale nocisensoren
IV-a (C-vezels)
Unimodale nocisensoren
III-b (Aδ-vezels)
II en III-a afferenten
, Spinale verwerking
Nocisensoriek → achterhoorn
Unimodale nocisensoren III-b
Verwerkt in lamina I en V → …..
Polymodale nocisensoren IV-a
Lamina I → interneuronen (modulerende invloed)→ Lamina V → ‘T-cel’ → tractus
spinothalamicus → ……
Mechanische’ informatie → achterhoorn
- II en III-a afferenten
Achterstrengen
Interneuronen (enkefaline neuronen) in lamina II en III (substantia gelatinosa)
→effect op ‘poort’