I. Taalverandering en de geschiedenis van het Nederlands
Het communicatiemiddel taal kan worden aangepast aan de veranderende behoeftes van
de gebruikers. Veel veranderingen gebeuren onopgemerkt; deze veranderingen worden
dan pas zichtbaar wanneer de huidige taal wordt vergeleken met het taalgebruik uit het
verleden.
Veranderingen treden op op verschillende taalniveaus:
Lexicaal: de opkomst van nieuwe woorden en het verdwijnen van bestaande
woorden (lexicon = woordenschat);
Semantisch: woorden veranderen van betekenis;
Syntactisch: zinsbouw;
Morfologisch: kleinere betekenisdragende eenheden van woorden;
Fonologisch/Fonetisch: klankleer.
Interne taalgeschiedenis:
Kenmerken van het Nederlands in de verschillende perioden;
Taalveranderingen die plaatsvinden;
Samenhang tussen bepaalde eigenschappen van een taal;
Beschrijving van optredende veranderingen.
Externe taalgeschiedenis:
Woordenschat uitbreiden met ontleende woorden in een situatie van taal- en
cultuurcontact;
Het functioneren van taal in de context in verschillende tijden;
Belangrijke factoren: historische gebeurtenissen, politieke ontwikkelingen, contacten
met andere talen en culturen, taalstudie, onderwijs, taalvoorschriften en grammatica.
Nederlands: Standaardnederlands/Algemeen Nederlands: variëteit van het Nederlands
die als algemene norm – als standaard – functioneert. Tot het Nederlands behoren ook de
dialecten.
,II. Taalverandering als probleem voor de taalwetenschap
Vocalen: klinkers Consonanten: medeklinkers
Korte, lange Plaats
Monoftong, diftong, tweeklank Stem
Voor, midden, achter Wijze
Open, gesloten
Ronding
Foneeminventaris: het geheel van alle betekenisonderscheidende klanken.
Allofonen: klanken die in een bepaalde omgeving verschillen. Ze staan in
complementaire distributie tot elkaar: waar de een voorkomt, kan de ander niet
voorkomen.
Fonemen: verschillende vocalen leveren in dezelfde omgeving twee verschillende
woorden op, ze zijn betekenisonderscheidend.
Veel klankveranderingen kunnen worden beschreven als een klankwet: werkt in principe
zonder uitzondering, dus op alle klanken die daarvoor in aanmerking komen.
Toch blijkt uit onderzoek dat de in een klankwet geformuleerde klankveranderingen
zich per woord verspreiden: lexicale diffusie.
Incidentele klankveranderingen zijn geen klankwet: dissimilatie, assimilatie en
totale assimilatie.
o Procope: klank valt vooraan weg.
o Syncope: klank valt middenin weg.
o Apocope: klank valt achteraan weg.
Een verschillende spelling gaat vaak terug op een van origine afwijkende uitspraak:
Homoniem: verschillende woorden, met zelfde uitspraak, maar andere schrijfwijze.
Homograaf: verschillende woorden, met zelfde uitspraak en schrijfwijze.
Een woord wordt afgebroken op een lettergreep-/syllabegrens:
Open syllabe: eindigt op klinker.
Gesloten syllabe: eindigt op medeklinker.
Morfologie:
Woordvorming: samenstelling en afleiding.
o Productiviteit: je kunt een nieuw woord maken.
o Improductiviteit: je kunt er geen nieuw woord mee maken.
Flexie: verbuiging en vervoeging.
o Deflexie: naamvalskenmerken verdwenen en werden vervangen door
syntactische middelen, zoals voorzetsels.
Analogie: woordveranderingen die niet in een wet of vaste regel te vangen zijn, omdat ze
incidenteel optreden. Het zijn veranderingen die naar het voorbeeld van een bestaand
patroon/vorm plaatsvinden.
, Syntactische veranderingen treden op bij:
Woordvolgordepatroon;
Opkomst van nieuwe constructies ontstaan door herinterpretatie van een
bestaand patroon;
Het verdwijnen van bestaande constructies.
Basisvolgordes van taal:
SOV: subject – object – werkwoord;
SVO: subject – werkwoord – object.
Talen zouden zich kunnen ontwikkelen van het ene type naar het andere, maar veel
is op het gebied van deze drifts nog onduidelijk.
o Talen kunnen zich wel ontwikkelen van synthetisch naar analytisch:
morfologische kenmerken worden vervangen door omschrijvingen
(perifrastische patronen).
Etymologie: tak van taalwetenschap die zich bezighoudt met de herkomst en de
oorspronkelijke betekenis van woorden.
Bastaardwoorden: leenwoorden.
Neologisme: nieuw gevormd woord.
Purisme: nieuw gevormd woord dat moet dienen ter vervanging van een leenwoord.
Niet alle leenvertalingen worden (meteen) algemeen geaccepteerd:
o Gallicisme: ontlening aan het Frans.
o Germanisme: ontlening aan het Duits.
o Anglicisme: ontlening aan het Engels.
Semantische extensie/uitbreiding/calque: alleen betekenis wordt ontleend. De
betekenis wordt dan gekoppeld aan een reeds in de taal bestaand woord.
De betekenis van woorden kan op veel manieren veranderen:
Betekenisuitbreiding: er komt een betekenismogelijkheid bij.
Betekenisbeperking: er verdwijnt een betekenismogelijkheid.
Betekenisspecialisatie/-verdichting: er komt een specifieke betekenismogelijkheid
bij, waarna de algemene betekenis verdwijnt.
Betekenisveralgemening: de betekenis is niet meer specifiek.
Betekenisverandering op het gebied van:
o Metaforisch taalgebruik: enigerlei overeenkomst.
o Metonymisch taalgebruik: samenhang tussen nieuwe en eerdere betekenis
berust op een bepaalde relatie in de werkelijkheid.
Verandering in gevoelswaarde (connotatie):
o Melioratief: gunstig.
o Pejoratief: ongunstig.
Eufemistisch taalgebruik: het gebruiken van verhullende woorden/uitdrukkingen
i.p.v. de woorden met een ongunstige gevoelswaarden leidt tot nieuwe
betekenisaspecten bij die woorden.
Polyseem: een woord heeft verscheidene betekenisaspecten die met elkaar
samenhangen.
Woordveld: een geheel van semantisch samenhangende woorden om inzicht te
krijgen in de betekenis van woorden en in betekenisverandering.