LP5 – Leerjaar 2
▪ = Leerdoel
Inhoudsopgave
Onderwerp Pagina
Venapunctie 2-3
Perifere infusie 4
Subcutane infusie 5
Centraal veneuze infusie/katheter 6-7
1
, Venapunctie
▪ De student benoemt welke venen (op welke plaatsen) geschikt zijn voor het uitvoeren
van een venapunctie voor bloedafname, zodanig dat de student een geschikte
punctieplaats kan bepalen.
Waar?
Oppervlakkige aders van de elleboog
Oppervlakkige aders van de onderarmen
Oppervlakkige aders van de rug van de hand
Oppervlakkige aders van de enkels
▪ De student benoemt wat aandachtspunten zijn bij het uitvoeren van een venapunctie,
zodanig dat de student weet waar hij/zij tijdens de handeling op moet letten.
Aandachtspunt Waarom?
Niet in een arm prikken waar een infuus in Door menging met infuusvloeistof worden
zit. bloeduitslagen sterk verlaagd of verhoogd.
Niet in een arm prikken waar een Door de stuwing kan de waaknaald
waaknaald in zit. sneuvelen.
Prik niet in een hematoom. Dit kan de waarde bij alle op eiwit
gebaseerde bepalingen en cellulaire
elementen beïnvloeden.
Ondersteun de arm waar in geprikt wordt. Dit beperkt onverwachte bewegingen.
Niet te hard stuwen met de band en leg De polsslag moet voelbaar blijven.
hem handbreedte boven de te prikken
plaats.
Stuw maximaal 1 minuut Langer stuwen geeft een vertekende
bloeduitslag. Wacht minimaal 2 min
voordat er opnieuw gestuwd wordt.
Kies de juiste maat naald Dit is afhankelijk van de dikte van het vat
en de hoeveelheid bloed die je moet
afnemen.
Desinfecteer de huid bij bloedafname voor Voorkomt overdracht van micro-
kweek en bij zorgvragers met een organismen.
verminderde weerstand
Druk bij zorgvragers met een Bloed stolt minder snel. Leg zo nodig een
stollingsstoornis of bloed verdunnende drukverband aan.
medicijnen de punctieplaats langer af.
Ga na wat de afspraken zijn voor de (Lab kan dit aangeven)
volgorde waarin de bloedbuizen moeten
worden afgenomen.
2