Integrale procesbegeleiding van groepen (IPG), 3 belangrijkste aspecten:
1. Groepsontwikkeling
2. Leiderschapsstijlen
3. Niveaus van groepsfunctioneren
Rol van de begeleider evolueert mee met de groepsontwikkeling.
Aspecten die op elkaar worden afgestemd bij IPG:
- fase van groepsontwikkeling;
- leiderschapsstijl vanuit het model van situationeel leiderschap;
- niveau waarop de groep in de betreffende fase vooral functioneert;
- betekenis hiervan voor de deelnemers;
- rol van de groepsbegeleider
Vijffasenmodel:
- Taakniveau van de groep: voorfase & beginfase
- Functioneren van de groep: middenfase (vooral), autonome fase, afsluitingsfase
Voorfase: ontwerpen van de groep, voordat de groep ooit bijeen is geweest. De
context van de groep staat centraal. De groep ontstaat om te voldoen aan een
bepaalde niet-vervulde behoefte vanuit de context van de deelnemers. De groep
bestaat nog niet, maar de latere groepsbegeleiders vormen zich er wel een beeld van.
Beginfase: oriëntatiefase, fase van groepsvorming. Vanaf het moment dat de
groepsleden in levende lijve bijeenkomen. Aanduiden van een karateristiek. Grenzen
van de groep met de omgeving vaststellen. Onderscheiden, identiteit, typisch eigene.
Veel behoefte aan externe sturing door leiding, omdat er nog geen eigen taak- en
werkstructuur is. Zekerheid en veiligheid opbouwen rond eigen rol en positie in de
groep. Fase eindigt wanneer taak- en werkstructuur duidelijk is en er groepsdoelen
zijn.
Middenfase: invloed- en affectiefase. Groepsfunctioneren, interne verhoudingen.
Invloed gezag, dominantie tussen groepsleden, kritiek op de lijder, strijd om macht.
Affectie persoonlijke betrokkenheid en affectie, sympathie en antipathie, onderlinge
afstand en nabijheid, vertrouwelijkheid en afstandelijkheid. Openheid. Fase eindigt
wanneer er een relatiepatroon is waarin de gewenste groepscohesie en onderlinge
betrokkenheid tot uitdrukking komen.
Autonome fase: hoge mate van zelfsturing en zelfregulering in de groep. Eigen
leiderschapsfuncties vervullen. Open groepsklimaat, deelnemers kunnen zichzelf zijn.
De groep is volwassen.
Afsluitingsfase: wanneer de groep gaat eindigen. Bindingen worden losser, men blikt
terug op bereikte resultaten. Ambivalente gevoelens: blij de groep los te laten,
verdrietig door vertrouwdheid die wegvalt. Voorbereiding op de terugkeer naar de
eigen context. Afscheid, evaluatie en afsluiting.
Model van situationeel leiderschap:
Combinatie van taakgerichtheid en relatiegerichtheid.
Directieve stijl (S1): hoge taakgerichtheid, lage relatiegerichtheid. Sterk instruerend
en gericht op snel behalen van resultaten. Wanneer groep nog niet ver is ontwikkeld
in bekwaamheid taken en bij crisismomenten. Hoge afhankelijk van de leider,
beginfase.
1. Groepsontwikkeling
2. Leiderschapsstijlen
3. Niveaus van groepsfunctioneren
Rol van de begeleider evolueert mee met de groepsontwikkeling.
Aspecten die op elkaar worden afgestemd bij IPG:
- fase van groepsontwikkeling;
- leiderschapsstijl vanuit het model van situationeel leiderschap;
- niveau waarop de groep in de betreffende fase vooral functioneert;
- betekenis hiervan voor de deelnemers;
- rol van de groepsbegeleider
Vijffasenmodel:
- Taakniveau van de groep: voorfase & beginfase
- Functioneren van de groep: middenfase (vooral), autonome fase, afsluitingsfase
Voorfase: ontwerpen van de groep, voordat de groep ooit bijeen is geweest. De
context van de groep staat centraal. De groep ontstaat om te voldoen aan een
bepaalde niet-vervulde behoefte vanuit de context van de deelnemers. De groep
bestaat nog niet, maar de latere groepsbegeleiders vormen zich er wel een beeld van.
Beginfase: oriëntatiefase, fase van groepsvorming. Vanaf het moment dat de
groepsleden in levende lijve bijeenkomen. Aanduiden van een karateristiek. Grenzen
van de groep met de omgeving vaststellen. Onderscheiden, identiteit, typisch eigene.
Veel behoefte aan externe sturing door leiding, omdat er nog geen eigen taak- en
werkstructuur is. Zekerheid en veiligheid opbouwen rond eigen rol en positie in de
groep. Fase eindigt wanneer taak- en werkstructuur duidelijk is en er groepsdoelen
zijn.
Middenfase: invloed- en affectiefase. Groepsfunctioneren, interne verhoudingen.
Invloed gezag, dominantie tussen groepsleden, kritiek op de lijder, strijd om macht.
Affectie persoonlijke betrokkenheid en affectie, sympathie en antipathie, onderlinge
afstand en nabijheid, vertrouwelijkheid en afstandelijkheid. Openheid. Fase eindigt
wanneer er een relatiepatroon is waarin de gewenste groepscohesie en onderlinge
betrokkenheid tot uitdrukking komen.
Autonome fase: hoge mate van zelfsturing en zelfregulering in de groep. Eigen
leiderschapsfuncties vervullen. Open groepsklimaat, deelnemers kunnen zichzelf zijn.
De groep is volwassen.
Afsluitingsfase: wanneer de groep gaat eindigen. Bindingen worden losser, men blikt
terug op bereikte resultaten. Ambivalente gevoelens: blij de groep los te laten,
verdrietig door vertrouwdheid die wegvalt. Voorbereiding op de terugkeer naar de
eigen context. Afscheid, evaluatie en afsluiting.
Model van situationeel leiderschap:
Combinatie van taakgerichtheid en relatiegerichtheid.
Directieve stijl (S1): hoge taakgerichtheid, lage relatiegerichtheid. Sterk instruerend
en gericht op snel behalen van resultaten. Wanneer groep nog niet ver is ontwikkeld
in bekwaamheid taken en bij crisismomenten. Hoge afhankelijk van de leider,
beginfase.