Week 7
Vormverzuimen
Literatuur en jurisprudentie
Keulen/Knigge 2016
Hoofdstuk 15
Jurisprudentiebundel
HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376 (Afvoerpijp)
HR 19 februari 2013, NJ 2013, 308 (Criteria toepassing bewijsuitsluiting ex 359a Sv)
EHRM 3 maart 2016, zaaknr. 7215/10 (Prade t. Duitsland)
Leeswijzer
Vorige week hebben we gezien dat de rechter, na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting,
een vonnis moet wijzen. Voor een veroordeling is nodig dat de rechter uit de wettige
bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft
begaan. Bovendien hebben we vorige week ook gezien dat aan de bewijsminima-regels moet
zijn voldaan.
Daarnaast heeft zich in de laatste decennia de regel ontwikkeld dat het bewijsmateriaal
rechtmatig moet zijn verkregen. In het Bloedproef II-arrest overwoog de Hoge Raad voor het
eerst dat de resultaten van een onrechtmatig (bloed)onderzoek niet aan het bewijs mogen
meewerken. In de voorgaande weken hebben we gezien dat het optreden van
opsporingsambtenaren tijdens het vooronderzoek onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn.
De zittingsrechter kan ingeval een dergelijk vormverzuim onherstelbaar is en het rechtsgevolg
daarvan niet uit de wet blijkt, op grond van artikel 359a Sv daaraan bepaalde sancties verbinden.
De werkingssfeer van artikel 359a Sv is beperkt tot het voorbereidend onderzoek. De toe te
passen sancties zijn strafvermindering, bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkheid van het OM,
maar er kan ook worden volstaan met de constatering dat sprake is van een vormverzuim.
Bewijsuitsluiting leidt tot vrijspraak als daardoor te weinig bewijsmateriaal is overgebleven. In
het arrest Afvoerpijp heeft de Hoge Raad, in een uitgebreide voorafgaande beschouwing,
nadere uitleg aan artikel 359a Sv gegeven. In het arrest Criteria toepassing bewijsuitsluiting ex
359a Sv komt naar voren dat volgens de Hoge Raad bewijsuitsluiting slechts in een beperkt
aantal gevallen aan de orde kan zijn.
Ook het EHRM is de mening toegedaan dat onrechtmatigheden tijdens de opsporing niet per
definitie hoeven te leiden tot de conclusie dat sprake is van een oneerlijk proces (art. 6 EVRM).
Uit de zaak Prade tegen Duitsland wordt duidelijk dat het EHRM de ‘proceedings as a whole’
beoordeelt, waarbij een aantal factoren in acht wordt genomen. Met name als tijdens de
opsporing sprake is geweest van onrechtmatigheden bij bevoegdheden die een inbreuk op de
privacy met zich meebrengen (veelal: schending van artikel 8 EVRM), zal het gebruik van het
door die bevoegdheden vergaarde bewijsmateriaal niet snel in strijd zijn met artikel 6 EVRM.
Trefwoorden
Onrechtmatig verkregen bewijs
Vormverzuimen in voorbereidend onderzoek (artikel 359a Sv)
Bewijsuitsluiting, strafvermindering en niet-ontvankelijkheid OM
Vormverzuimen
Literatuur en jurisprudentie
Keulen/Knigge 2016
Hoofdstuk 15
Jurisprudentiebundel
HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376 (Afvoerpijp)
HR 19 februari 2013, NJ 2013, 308 (Criteria toepassing bewijsuitsluiting ex 359a Sv)
EHRM 3 maart 2016, zaaknr. 7215/10 (Prade t. Duitsland)
Leeswijzer
Vorige week hebben we gezien dat de rechter, na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting,
een vonnis moet wijzen. Voor een veroordeling is nodig dat de rechter uit de wettige
bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft
begaan. Bovendien hebben we vorige week ook gezien dat aan de bewijsminima-regels moet
zijn voldaan.
Daarnaast heeft zich in de laatste decennia de regel ontwikkeld dat het bewijsmateriaal
rechtmatig moet zijn verkregen. In het Bloedproef II-arrest overwoog de Hoge Raad voor het
eerst dat de resultaten van een onrechtmatig (bloed)onderzoek niet aan het bewijs mogen
meewerken. In de voorgaande weken hebben we gezien dat het optreden van
opsporingsambtenaren tijdens het vooronderzoek onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn.
De zittingsrechter kan ingeval een dergelijk vormverzuim onherstelbaar is en het rechtsgevolg
daarvan niet uit de wet blijkt, op grond van artikel 359a Sv daaraan bepaalde sancties verbinden.
De werkingssfeer van artikel 359a Sv is beperkt tot het voorbereidend onderzoek. De toe te
passen sancties zijn strafvermindering, bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkheid van het OM,
maar er kan ook worden volstaan met de constatering dat sprake is van een vormverzuim.
Bewijsuitsluiting leidt tot vrijspraak als daardoor te weinig bewijsmateriaal is overgebleven. In
het arrest Afvoerpijp heeft de Hoge Raad, in een uitgebreide voorafgaande beschouwing,
nadere uitleg aan artikel 359a Sv gegeven. In het arrest Criteria toepassing bewijsuitsluiting ex
359a Sv komt naar voren dat volgens de Hoge Raad bewijsuitsluiting slechts in een beperkt
aantal gevallen aan de orde kan zijn.
Ook het EHRM is de mening toegedaan dat onrechtmatigheden tijdens de opsporing niet per
definitie hoeven te leiden tot de conclusie dat sprake is van een oneerlijk proces (art. 6 EVRM).
Uit de zaak Prade tegen Duitsland wordt duidelijk dat het EHRM de ‘proceedings as a whole’
beoordeelt, waarbij een aantal factoren in acht wordt genomen. Met name als tijdens de
opsporing sprake is geweest van onrechtmatigheden bij bevoegdheden die een inbreuk op de
privacy met zich meebrengen (veelal: schending van artikel 8 EVRM), zal het gebruik van het
door die bevoegdheden vergaarde bewijsmateriaal niet snel in strijd zijn met artikel 6 EVRM.
Trefwoorden
Onrechtmatig verkregen bewijs
Vormverzuimen in voorbereidend onderzoek (artikel 359a Sv)
Bewijsuitsluiting, strafvermindering en niet-ontvankelijkheid OM