Hoorcollege Week 6
Het onderzoek ter zitting en bewijs
Het onderzoek ter terechtzitting
Doelstellingen
- Het voornaamste doel is waarheidsvinding, met het oog op de beantwoording van de
vragen van art. 348 en 350 Sv
- Die waarheidsvinding is genormeerd, bijvoorbeeld door art. 6 EVRM
- De waarheidsvinding ziet ook op betrouwbaarheid en rechtmatigheid
o Soms staan de betrouwbaarheid en rechtmatigheid met elkaar in verband
Wet vs. praktijk
De wet (in 1926)
- Procesverplichting: met uitzondering van zaken waarin van (verdere) vervolging
wordt afgezien (art. 167 Sv), komen alle zaken bij de zittingsrechte die de
eindbeslissing neemt
- Onderzoek ter zitting dient als de beslissende fase: vooronderzoek is bedoeld als
voorbereidend onderzoek (art. 132 Sv)
- Zittingsrechter is actief op zoek naar de waarheid
o OvJ en verdediging kunnen daaraan bijdragen, maar de zittingsrechter is
verantwoordelijk voor het onderzoek
- Het onderzoek ter terechtzitting wordt bovendien beheerst door het
onmiddellijkheidsbeginsel: beste garantie voor waarheidsvinding (bijv. art. 342 lid 1
Sv)
o De wetgever heeft voor ogen gehad dat het bewijs ter zitting direct ten
overstaan van de zittingsrechter beschikbaar moet zijn, de waarheid komt
dan het best aan het licht.
- De rechter draagt een eigen verantwoordelijkheid voor de volledigheid van het
onderzoek: gegevens die relevant zijn voor de beantwoording van de vragen van 348
en 350 Sv
- Er is dus een actieve rechter: procesinitiatieven van de verdediging en de OvJ zijn in
zoverre minder belangrijk
- Afweging van belangen: verzoeken van de verdediging en vorderingen van de OvJ
moeten worden afgewogen tegen het belang van een voortvarende afdoening van de
strafzaak
- De rechter moet de eisen van een eerlijk proces in het oog houden (art. 6 EVRM)
- De voorzitter leidt het onderzoek en doet datgene wat nodig is voor het nemen van
de beslissingen van art. 348 en 350 Sv
o Centrale bepaling is art. 315 Sv: de rechter kan bevelen tot het oproepen van
(nadere) getuigen of deskundigen of het overleggen van stukken
o Art. 316 Sv: desnoods kan de rechter aan de R-C nadere
onderzoekshandelingen opdragen
o In beide gevallen is het criterium: noodzaak
- De rechtbank kan voortdurend door OvJ en verdediging worden uitgenodigd gebruik
te maken van de bevoegdheden van art. 315 Sv
Het onderzoek ter zitting en bewijs
Het onderzoek ter terechtzitting
Doelstellingen
- Het voornaamste doel is waarheidsvinding, met het oog op de beantwoording van de
vragen van art. 348 en 350 Sv
- Die waarheidsvinding is genormeerd, bijvoorbeeld door art. 6 EVRM
- De waarheidsvinding ziet ook op betrouwbaarheid en rechtmatigheid
o Soms staan de betrouwbaarheid en rechtmatigheid met elkaar in verband
Wet vs. praktijk
De wet (in 1926)
- Procesverplichting: met uitzondering van zaken waarin van (verdere) vervolging
wordt afgezien (art. 167 Sv), komen alle zaken bij de zittingsrechte die de
eindbeslissing neemt
- Onderzoek ter zitting dient als de beslissende fase: vooronderzoek is bedoeld als
voorbereidend onderzoek (art. 132 Sv)
- Zittingsrechter is actief op zoek naar de waarheid
o OvJ en verdediging kunnen daaraan bijdragen, maar de zittingsrechter is
verantwoordelijk voor het onderzoek
- Het onderzoek ter terechtzitting wordt bovendien beheerst door het
onmiddellijkheidsbeginsel: beste garantie voor waarheidsvinding (bijv. art. 342 lid 1
Sv)
o De wetgever heeft voor ogen gehad dat het bewijs ter zitting direct ten
overstaan van de zittingsrechter beschikbaar moet zijn, de waarheid komt
dan het best aan het licht.
- De rechter draagt een eigen verantwoordelijkheid voor de volledigheid van het
onderzoek: gegevens die relevant zijn voor de beantwoording van de vragen van 348
en 350 Sv
- Er is dus een actieve rechter: procesinitiatieven van de verdediging en de OvJ zijn in
zoverre minder belangrijk
- Afweging van belangen: verzoeken van de verdediging en vorderingen van de OvJ
moeten worden afgewogen tegen het belang van een voortvarende afdoening van de
strafzaak
- De rechter moet de eisen van een eerlijk proces in het oog houden (art. 6 EVRM)
- De voorzitter leidt het onderzoek en doet datgene wat nodig is voor het nemen van
de beslissingen van art. 348 en 350 Sv
o Centrale bepaling is art. 315 Sv: de rechter kan bevelen tot het oproepen van
(nadere) getuigen of deskundigen of het overleggen van stukken
o Art. 316 Sv: desnoods kan de rechter aan de R-C nadere
onderzoekshandelingen opdragen
o In beide gevallen is het criterium: noodzaak
- De rechtbank kan voortdurend door OvJ en verdediging worden uitgenodigd gebruik
te maken van de bevoegdheden van art. 315 Sv