Jou of jouw ³ ⁴
Wanneer gebruik je jou?
Als het een persoonlijk voornaamwoord is.
Ze heeft het jou beloofd.
Ik vrees dat ze jou vergeten.
Twijfel je? Vervang dan jou/jouw door hem en zijn:
Zijn is net als jouw een bezittelijk voornaamwoord:
1. Dat is voortaan zijn/jouw eigendom.
Hem is net als jou (zonder -w) een persoonlijk voornaamwoord:
2. Ze heeft het hem/jou beloofd.
Wanneer gebruik je jouw?
Als het een bezittelijk voornaamwoord is.
Dit is voortaan jouw eigendom.
Jouw idee wordt beloond.
U of uw
Wanneer gebruik je u?
Als het een persoonlijk voornaamwoord is:
We hebben u gemaild.
Ik hoop dat ze u ook uitnodigen.
Als je niet weet of je u of uw moet gebruiken, vervang je u/uw door hem/zijn.
Zijn is een bezittelijk voornaamwoord, net als uw:
We zagen zijn/uw hond net voorbijrennen.
Hem is een persoonlijk voornaamwoord, net als u (zonder -w):
Mag ik hem/u even storen?
Wanneer gebruik je uw?
Wanneer gebruik je jou?
Als het een persoonlijk voornaamwoord is.
Ze heeft het jou beloofd.
Ik vrees dat ze jou vergeten.
Twijfel je? Vervang dan jou/jouw door hem en zijn:
Zijn is net als jouw een bezittelijk voornaamwoord:
1. Dat is voortaan zijn/jouw eigendom.
Hem is net als jou (zonder -w) een persoonlijk voornaamwoord:
2. Ze heeft het hem/jou beloofd.
Wanneer gebruik je jouw?
Als het een bezittelijk voornaamwoord is.
Dit is voortaan jouw eigendom.
Jouw idee wordt beloond.
U of uw
Wanneer gebruik je u?
Als het een persoonlijk voornaamwoord is:
We hebben u gemaild.
Ik hoop dat ze u ook uitnodigen.
Als je niet weet of je u of uw moet gebruiken, vervang je u/uw door hem/zijn.
Zijn is een bezittelijk voornaamwoord, net als uw:
We zagen zijn/uw hond net voorbijrennen.
Hem is een persoonlijk voornaamwoord, net als u (zonder -w):
Mag ik hem/u even storen?
Wanneer gebruik je uw?