RETORIEK
= de kundigheid om over elk onderwerp, onder alle omstandigheden op de gepaste manier
het woord te voeren met als doel het publiek:
1. Op de hoogte te brengen (= docere)
2. Te overtuigen (= persuadere)
3. Te raken, inspelen op hun gevoelens (= movere)
vaak negatief beschouwd
kern vd antieke opvoeding en antieke cultuur
neutrale, waardenvrije wetenschap
leert iemand hoe je publiek moet overtuigen
verzorgde stijl
het behagen staat in dienst vh overtuigen
1. Een goed redenaar
moet publiek op schijnbaar natuurlijke manier meeslepen door:
argumenten
stijlfiguren
ethos = moraal, wat is het goede, cultuurgebonden
pathos = emotioneel
logos = logische, rationele redeneringen
2. Moderne retorica
Barack Obama, John F. Kennedy, Winston Churchill, Martin Luther King, …
Beroepen als advocaat, manager, directeur, speeches geven, …
3. Retoriek bij de Grieken
Homeros (8ste eeuw) beschrijft vergaderingen van aanvoerders van het leger
Retorica als kunstvorm is ontstaan op eiland Sicilië
Corax en Tisias uit Syracuse (5de eeuw) schreven handleiding om op succesvolle manier
een proces te voeren
Gorgias van Leontini kwam in dezelfde periode hulp vragen aan Athene (want
geboortestad werd bedreigd door Syracuse) zijn speeches maakten indruk
‘gorgiasmen’ = heel veel stijlfiguren gebruiken
In Athene 5de eeuw democratie kwam tot bloei opleiding retoriek werd belangrijk
Sofisten = rondtrekkende leraars leerden jongeren van hogere komaf op
Veel reactie op hun onderwijsmethode: volgens filosoof Plato leggen ze teveel nadruk op
het gelijk krijgen verliezen waarheid uit het oog sofisten kregen slechte naam
, De grootste Griekse redenaars:
Lysias (5e-4e eeuw v.C)
o Was rijke vreemdeling in Athene
o Verliest al zijn bezittingen door Peloponezische oorlog
o Mocht geen redevoeringen doen want vreemdeling
o Werd logograaf: redevoeringen schrijven voor anderen tegen betaling
Isocrates (4e eeuw v.C.)
o Was een rijke Athener
o Verliest ook zijn bezittingen door Peloponezische oorlog
o Was slecht in redevoeren zelf maar kon ze wel goed schrijven
o Werd ook logograaf
o Richt school op voor retoriek
Aeschines (4e eeuw v.C.)
o Tijden van Philippus van Macedonië (=vader Alexander de Grote)
o Wou samen met hem onderhandelingen doen met Griekenland
o Ging vrijwillig in ballingschap naar Rhodos
o Richtte daar een school op
o Hij improviseerde dus weinig teksten bewaard
Demostones (grootste van al)
o Rijke afkomst
o Verliest bezittingen door verkwistende ooms
o Was niet begaafd in redevoeren (spraakgebrek, zwak, …)
o Heeft veel geoefend en had doorzettingsvermogen
o Werd groot redenaar
o Ging ook mee op expeditie naar Philipus
o Kreeg de gifbeker omdat hij zo anti-macedonisch was en sterft
4. Retoriek bij de Romeinen
De grootste Romeinse redenaars:
Cato de Oude (3e – 2e eeuw v.C.)
o Sleutelfiguur voor ontwikkeling retoriek in Rome
o Was van lage afkomst, Romeinse boer
o Ging in de politiek
o Werd “Homo Novus” (nieuwe man) genoemd
o Was heel Romeins, streng, ernstig
o Was tegen de vergrieksing en Cartago, maar kon er niet onderuit