1. ‘Normaal’ is datgene wat als normaal geldt in een bepaalde cultuur en in een bepaal
tijdvak. Dit betekent:
A. Dat de pedagogische wetenschap precies kan omschrijven wat normaal is in de wereld.
B. Dat de orthopedagogische wetenschap zich moet richten op een normale opvoeding die
een normale opvoeding impliceert.
C. Dat wat nu als abnormaal wordt beschouwd, in de toekomst mogelijk als normaal
wordt ervaren.
D. Dat wat nu als normaal wordt beschouwd in Nederland ook in Suriname geldt (het
normaliteitprincipe is objectief!)
2. I) Een gangbare visie in deze tijd is: ‘Mensen met een handicap hebben een probleem. Dit
probleem is er de oorzaak van dat zij niet in de samenleving kunnen leven op een voor
hen bevredigende manier. De zorgverleners gaan daarom voor hen zorgen.’
II) Integratie en separatie zijn twee uitersten bij deelname van gehandicapten aan een
samenleving.
A. Beide uitspraken zijn juist
B. Alleen uitspraak I is juist
C. Beide uitspraken zijn onjuist
D. Alleen uitspraak II is juist
3. Welke visie over normaliteit is niet gangbaar volgens van Sprang?
A. cognitieve mogelijkheden moeten als uitgangspunt worden genomen
B. normaal zijn moet beschouwd worden als utopie
C. normaliteit is niet iets wat statisch is maar moet al een prces gezien worden
D. normaliteit is slechts een gemiddelde
4. Kok classificeert vraagstellingstypes vanuit een perspectief dat uitgaat van de vraag:
A. wat de financiële middelen binnen een instelling zijn?
B. Wat er aan de hand is met een cliënt?
C. Hoe er gehandeld moet worden?
D. Wat de ervaring is van vakgenoten bij de intakeprocedure?
5. Bij de jongens in jeugdgevangenis den Engh is vaak sprake van het vraagstellingstype (let
op conatieve ontw.aspect!):
A. emotionele ruimte bieden
B. profileren
C. variëren
D. harmoniëren
6. “Mogelijkheden tot persoonlijke ruimte” valt in te delen onder de opvoedingsbehoefte:
A. situatie hanteren
B. opvoedersrelatie
C. groeibevorderende gebeurtenis
D. klimaat scheppen en aanpassen