Joden in Israël en in diaspora (Sefardisch, Ajzkenazisch, Amerikaans).
Tenach: Thora (wet), Nevie’iem (profeten), Ketoeviem (geschriften).
Halacha: joodse wet, commentaar op de Tenach.
Met name de praktijk is belangrijk; rituelen, gebeden, feesten etc.
Definitie - Terminologie
1. Judea
De term jood komt van Judea, één van de 12 stammen, maar ook de plek waar zij waren gevestigd en
de benaming voor iemand uit Judea. Jodendom is dus zowel een religie als een volk.
Wanneer ben je een jood? Bekering is principe compleet als de rabbijn het verifieert, maar niet alle
groeperingen accepteren dat (bijvoorbeeld Ethiopische joden).
Na de Babylonische ballingschap gaat het stammenverband verloren en alleen Yudea (Benjamin) en
Levi (priesters) blijven bestaan. Het wordt een etnisch verband van zoons en dochters.
Gebruiken talen zoals Ladino, Jiddisch, Hebreeuws, Judeo-Arabisch en Aramees.
2. Ioudaismos
Joden gebruikten zelf als term Ioudaismos, om hun eigen identiteit af te bakenen van de Grieken en de
joden die zich als Grieken gedroegen (Ioudaismos vs. Hellenismos). Sinds de Middeleeuwen
gebruikten ze ook de term Yahadut (Hebreeuws, betekent net als ioudaismos: goede levenswijze).
3. Hebreeën
Vernoemd naar de taal die ze spreken; Hebreeuws. Wordt in de Bijbel gebruikt.
4. Semieten
Van de Bijbelse ‘Sem’ (zoon van Noach), deze term omvat ook Arabieren, want het komt van de
semitische talen (Hebreeuws, Aramees, Arabisch). Negatief gebruikt met anti-semitisch (n.b. dat
veronderstelt een rassenleer, terwijl anti-joods al sinds de oudheid de haat is jegens joodse uitingen).
5. Israël
Joden en jodendom hebben soms een negatieve connotatie, wanneer de christenen het gebruikten als
tegenstelling tot (het ware) Israël. Ze maakten zo een onderscheid tussen joden en christenen.
Maar Israël wordt ook door de joden gebruikt om naar zichzelf te verwijzen en heeft 3 betekenissen:
- Andere naam van de Bijbelse Jacob
- Landstreek ten noorden van Judea
- Historisch en sinds 1948 het hele land Israël
Israël is een lastige term, sowieso moeilijk om jodendom te definiëren. Satlow stelt dat er geen
essentie van het jodendom te noemen is. Hij geeft een polythetische definitie i.t.t. een essentialistische:
A. Essentialistisch
Meestal normatief en gebruikt voor zelfdefinitie, bijv. orthodoxe joden die kunnen zeggen ‘om deze
reden zijn wij echte joden’ of christenen die kunnen zeggen ‘wij zijn geen joden’. Maar er zijn te veel
groepen binnen het jodendom daarvoor en er is de Mihu-Yehudi discussie: een jood is alleen iemand
die geboren is uit een joodse moeder of op halachische wijze joods is geworden.
B. Polythetisch (Satlow)
Respecteert zowel de verscheidenheid als de eenheid, omdat het de vele overlappende kenmerken
erkent, maar geen enkel kenmerk als essentieel ziet. Jodendom is een familie van tradities. Het heeft
daarom ook geen geschiedenis, alleen maar verschillende gemeenschappen met locale
geschiedenissen. De eenheid in de verscheidenheid brengt Satlow aan d.m.v. drie ‘kaarten’:
1. Am Israel: zelf-identificatie als jood telt, niet of anderen de groep erkennen als joods.
2. Associatie met canonieke teksten: bijbel en rabijnse traditie
3. Overgeleverde (religieuze) praktijk
Joodse identiteit is de identificatie met een geschiedenis, gemeenschap, traditie.