De nieuwsgierige mens
1) Uit een populatie van 50000 personen worden twee steekproeven getrokken:
een steekproef van n=400 (steekproef I) en een steekproef van n=1600
(steekproef II). Bij ieder van de twee steekproeven hoort een
steekproevenverdeling. Welk van de onderstaande uitspraken is juist?
a) bij steekproef II is de standaarddeviatie van de steekproevenverdeling van het gemiddelde groter
dan de standaarddeviatie van de populatieverdeling
b) de standaarddeviatie van de populatieverdeling is kleiner dan de standaarddeviatie van de
steekproevenverdeling van het gemiddelde bij steekproef I
c ) de standaarddeviatie van de steekproevenverdeling van het gemiddelde is bij steekproef II
kleiner bij steekproef I
d) bij steekproef I is de standaarddeviatie van de steekproevenverdeling van het gemiddelde 20
keer groter dan de standaarddeviatie van de populatieverdeling
2) Een beroepskeuzebureau hanteert een genormeerde IQ-test voor VWOleerlingen
uit de hoogste klas. Deze test heeft een variantie van 225. De
scores die hiermee verkregen worden, zijn normaal verdeeld.
Een steekproef van 25 leerlingen uit de groep die zich bij dit bureau voor
advies heeft aangemeld, scoort op deze test gemiddeld 119.
Wat is het 95% betrouwbaarheidsinterval van het populatiegemiddelde?
A. 30.80 μ 207.00
B. 113.12 μ 124.88
C. 101.36 μ 136.64
D. 114.08 μ 123.92
, 3) In een onderzoek wordt gekeken naar het verband tussen sekse, leeftijd en sociale
weerbaarheid. Welke van deze variabele(n) kunnen in psychologisch onderzoek
uitsluitend een rol spelen als onafhankelijke variabele?
A. Sekse
B. Leeftijd
C. Sekse en leeftijd
D. Alle drie de variabelen kunnen zowel als afhankelijke als onafhankelijke
variabelen optreden.
4) Iemand beweert over een bepaalde variabele dat het verschil tussen de scores van Kees en
Carla tweemaal zo groot is als het verschil van Kees met Klazien. Wat is het meetniveau
dat deze persoon tenminste aan deze variabele toekent?
A. nominaal
B. ordinaal
C. interval
D. ratio
5) Gegeven zijn de 110-meter tijden van een sprinter uit de laatste vier wedstrijden: 10.9,
11.2, 11.0 en 11.3. Wat is de standaarddeviatie van deze resultaten?
A. 0.10
B. 0.158
C. 0.183
D. 0.316
6) Als we een behoorlijke correlatie vinden tussen twee numerieke variabelen, b.v. 0.78
terwijl inspectie van de bijbehorende puntenwolk laat zien dat het verband duidelijk
kromlijnig is, dan geldt:
A. dat er, ondanks de gevonden correlatie, eigenlijk geen verband is.
B. dat er vermoedelijk wel een verband is, maar dat Pearson r niet het juiste middel is om
te gebruiken.
C. dat er vermoedelijk uitbijters zijn.
D. dat de twee variabelen vermoedelijk niet normaal verdeeld zijn.
7) Een vervoerspsycholoog heeft vastgesteld dat tussen de rijsnelheid (X in km/u) en het
aantal ongelukken (Y per jaar) die motorbestuurders maken het volgende verband
bestaat:
yˆ = 1 + 0.05*x
Je weet dat Jansen gewoonlijk met een snelheid van 160 km per uur rijdt. Hoeveel
ongelukken zal hij per jaar maken?
A. 80
B. 81
C. 9
D. 8